De overeengekomen regeling geldt voor alle werknemers in het primair onderwijs op wie het RPBO van toepassing is. In tegenstelling tot de regeling zoals die momenteel nog is opgenomen in artikel I-C39 van het RPBO wordt geen minimum meer gesteld aan de betrekkingsomvang. Dat betekent dat ook betrokkenen met een werktijdfactor die kleiner is dan 0,4, recht hebben op ouderschapsverlof. De nieuwe regeling zoals die is afgesproken maakt ouderschapsverlof mogelijk tot de datum waarop het kind de leeftijd van 8 jaar bereikt.
De volgende categorieën werknemers hebben recht op ouderschapsverlof:
de ouders van kinderen die tijdens het huwelijk of het geregistreerde partnerschap zijn geboren;
de vaders die kinderen hebben erkend en alleenstaande moeders;
adoptieouders vanaf het moment dat de adoptieprocedure is afgerond.
degenen die de verzorging van kinderen op zich hebben genomen met het doel om die kinderen te adopteren (aspirant-adoptieouders); en
betrokkenen die op hetzelfde adres wonen als de kinderen waarvoor zij duurzaam de verzorging en de opvoeding op zich hebben genomen.
De onder punt 4 genoemde aspirant-adoptieouders kunnen het doel om te adopteren op verschillende manieren aantonen:
wanneer het de adoptie van Nederlandse kinderen betreft kan de bedoeling om te adopteren blijken uit een verklaring van de Raad voor de Kinderbescherming waaruit de plaatsing bij betrokkenen ter adoptie blijkt;
wanneer het de adoptie van niet-Nederlandse kinderen betreft kan dat door middel van een afschrift van een beginseltoestemming van het Ministerie van Justitie in combinatie met een afschrift van de vergunning tot verblijf van de kinderen.
Artikel 2
Op wie is de nieuwe regeling van toepassing ?
Onderdeel van Ouderschapsverlof in het primair onderwijs· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 19 april 2000