Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Ten minste één jaar in dienst

Onderdeel van Praktische consequenties Wet aanpassing arbeidsduur· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 19 juni 2000

Het geclausuleerde recht op aanpassing van de arbeidsduur komt uitsluitend toe aan de ambtenaar die ten minste één jaar, voorafgaande aan het gevraagde tijdstip van aanpassing van de arbeidsduur, in dienst is bij dezelfde werkgever (dan wel bij een werkgever die ten aanzien van de verrichtte arbeid redelijkerwijs als diens opvolger moet worden aangemerkt). Hier kan onder het begrip werkgever worden verstaan een Hoog College van Staat of een ministerie (het gezagsbereik van een minister). Voor een situatie waarin sprake zou kunnen zijn van elkaars opvolgende werkgevers zou gedacht kunnen worden aan bijvoorbeeld het samenvoegen van ministeries of het overhevelen van een organisatieonderdeel van het ene naar het andere ministerie. Indien de arbeidsverhouding niet gedurende een onafgebroken periode van één jaar heeft bestaan, maar met onderbrekingen van minder dan 3 maanden, worden de verschillende perioden waarin sprake was van een arbeidsverhouding, bij elkaar opgeteld. Er zij op gewezen dat in geval van bijv. langdurige ziekte of zwangerschapsverlof de arbeidsverhouding blijft voortbestaan, zodat de ziekte of het verlof niet als onderbreking kan worden beschouwd. Overigens blijkt uit opmerkingen van de regering tijdens de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel dat de regering van oordeel is dat een langdurig zieke zijn recht op vermeerdering van de arbeidsduur pas na afloop van zijn ziekteperiode geldend kan maken. Vermeerdering van de arbeidsduur tijdens die periode zou betekenen dat de werkgever meer loon moet betalen, terwijl daar geen overeenkomstige arbeidsprestatie tegenover staat.

Rechtspraak bij dit artikel