Ambtenaren die gebruik willen maken van hun aanspraak op aanpassing van hun arbeidsduur, moeten daartoe een schriftelijk verzoek indienen bij het bevoegd gezag, en wel ten minste 4 maanden voorafgaand aan de gewenste ingangsdatum. De ambtenaar zal hierbij aan moeten geven:
het tijdstip van ingang;
de omvang van de aanpassing van de arbeidsduur; en
de gewenste spreiding van de uren over de week (of een anderszins overeengekomen tijdvak).
Van belang is dat de ambtenaar uitdrukkelijk níet zijn redenen voor het verzoek hoeft aan te geven. De motieven van de ambtenaar voor zijn verzoek mogen door het bevoegd gezag niet (mede) aanleiding zijn tot afwijzing van het verzoek. Er mag geen sprake zijn van een belangenafweging; het verzoek moet worden gehonoreerd, tenzij dit in strijd is met zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.
Artikel 4
Aanpassingsverzoek
Onderdeel van Praktische consequenties Wet aanpassing arbeidsduur· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 19 juni 2000