**1.** Een vreemdeling als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Wet kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:
een onderduikrisico bestaat; of
de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
**2.** Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, zesde lid, van de Wet.
**4.** Met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, kan een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd of kan hij in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:
er een onderduikrisico bestaat; of
dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.
Voorheen art. 5.1a.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2
Artikel 5.5
Artikel 5.5
Onderdeel van Vreemdelingenbesluit 2000· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026