Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2

Artikel 5.6

Artikel 5.6

Onderdeel van Vreemdelingenbesluit 2000· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026

1. De maatregel van vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59, 59a of de maatregel van vrijheidsontneming, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet, indien opgelegd aan een vreemdeling die onder de Asiel- en migratiebeheerverordening valt, of bedoeld in artikel 6a van de Wet kan worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid zich voordoen. 2. Een onderduikrisico kan bestaan, indien de vreemdeling: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend; zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet, tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet, dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet; heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken, dan wel een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet; niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; of arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. 3. Het bestaan van een onderduikrisico, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval toegelicht in het besluit, bedoeld in het eerste lid. Bij toepassing van het tweede lid, onderdelen g, i, m en p tot en met u wordt het bestaan van een onderduikrisico nader toegelicht. Voorheen art. 5.1b.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel