Naar hoofdinhoud

Artikel C1

Asielprocedure

Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (C)· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026

De beleidsregels in deze paragraaf zijn een nadere uitwerking van de artikelen 9 t/m 35, 36, 39, 42, 43 en 67 t/m 69 Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de vreemdeling te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen (artikel 26 Procedureverordening) volgt de registratie en indiening van de asielaanvraag (artikel 27 en 28 Procedureverordening). Afhankelijk van waar de vreemdeling zich heeft gemeld en of de Screeningsverordening van toepassing is, volgt een van de hieronder beschreven procedures. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de vreemdeling zich op het grondgebied bevindt en onder de Screeningsverordening valt, wordt het registratieproces in fase ‘Ontvangst en Voorbereiden Asielaanvraag’ (verder: de OVA-fase) gevolgd zoals beschreven in paragraaf A6/1 Vc. De vreemdeling dient de asielaanvraag direct aansluitend op deze OVA-fase in bij een IND-medewerker. Het aanmeldcentrum Ter Apel is aangewezen als screeningslocatie in de zin van artikel 8 lid 1 Screeningsverordening. De registratie en indiening van de asielaanvraag (artikel 27 en 28 Procedureverordening) vinden aansluitend op elkaar plaats. Na het ondertekenen van de asielaanvraag ontvangt de vreemdeling (een kopie van) de volgende documenten: de ondertekende asielaanvraag; een ontvangstbevestiging van de ingeleverde documenten (indien van toepassing); de opgelegde aanwijzing om beschikbaar te zijn als bedoeld in artikel 55 Vw (Model M117-C); folders met informatievoorziening; en retour van de echt bevonden brondocumenten (indien van toepassing). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a Procedureverordening verschaft de vreemdeling die niet onder de werking van de Screeningsverordening valt, de informatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid Procedureverordening. Deze informatie wordt opgehaald tijdens de OVA-fase. De IND zal in het kader van de registratie en de indiening van de asielaanvraag de volgende handelingen uitvoeren: identificatie en verificatie van de identiteit van de aanvrager; registratie van biometrische gegevens; en veiligheidscontrole De paragraaf A6/4.3 Vc zijn op deze onderdelen van overeenkomstige toepassing. De vreemdeling ondertekent de asielaanvraag in aanwezigheid van een IND-medewerker. Na het ondertekenen van de asielaanvraag ontvangt de vreemdeling (een kopie van) de volgende documenten: de ondertekende asielaanvraag; een ontvangstbevestiging van de ingeleverde documenten (indien van toepassing); de opgelegde aanwijzing om beschikbaar te zijn als bedoeld in artikel 55 Vw (Model M117-C); folders met informatievoorziening; en retour van de echt bevonden brondocumenten (indien van toepassing). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In afwijking van de regels over het indienen van een asielaanvraag zoals beschreven in de paragrafen C1/2.2 en 2.3 Vc gelden aparte beleidsregels voor de vreemdeling: die aan de buitengrens heeft aangegeven een aanvraag te willen indienen en aan wie het besluit omtrent de toegangsweigering is uitgesteld (zie paragrafen C1/3.1 en C2/2 Vc); of die een tweede of volgende asielaanvraag wil indienen (zie paragraaf C2/5 Vc); of die een lastminuteaanvraag wil indienen (zie paragraaf C2/5.4 Vc); of die vanuit vreemdelingenbewaring een aanvraag indient (zie paragrafen C1/3.4 en C2/4 Vc); of die vanuit de strafrechtketen (VRIS) een aanvraag indient (zie paragraaf C1/3.5 Vc). De IND merkt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel die op een ander dan het door de IND aangewezen moment of locatie of op een andere dan de hierboven beschreven wijze wordt ingediend, aan als een onvolledige aanvraag. Een onvolledige aanvraag doet de termijnen van de asielprocedure niet aanvangen (zie artikel 35 ProcedureVerordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de vreemdeling de asielaanvraag heeft ingediend, bepaalt de IND aan de hand van de informatie die is verkregen tijdens de OVA-fase welke procedure vooralsnog wordt gevolgd en welke vervolgstappen er tijdens deze procedure gezet moeten worden. Tijdens de triage kan de IND eveneens bepalen welke onderzoeken er worden uitgevoerd tijdens de procedure. Het uitgangspunt is dat er alleen onderzoeken worden uitgevoerd die nodig zijn om tot een correct besluit te komen. Er wordt daarom per aanvraag een individuele beoordeling gemaakt welke onderzoeken de IND opstart. Een aantal onderzoeken worden al tijdens OVA uitgevoerd of opgestart (zie paragraaf A6/4.2 en A6/4.3 Vc). De navolgende onderzoeken kunnen in de regel echter pas plaatsvinden na de triage: (aanvullend) overig documentenonderzoek (zie paragraaf A6/4.3.2 Vc) aanvullend herkomstonderzoek (zie paragraaf A6/4.2 Vc) onderzoek naar de situatie in het land van herkomst middels deskundigenberichten (zie paragraaf C3/4.2.2.3 Vc) onderzoek in het kader van Asiel- en migratiebeheerverordening (zie paragraaf C2/3 Vc) leeftijdsonderzoek medisch onderzoek horen en beslissen (zie paragraaf C3/5.1 Vc) forensisch medisch onderzoek (zie paragraaf C3/5.2 Vc) OSINT-onderzoek 1F-onderzoek (zie paragraaf C4/3.6.9 Vc) openbare orde-onderzoek (zie paragraaf C4/3.6.1 t/m C4/3.6.7 Vc) nationale veiligheidsonderzoek (zie paragraaf C4/3.6.8 Vc) Tijdens de triage bepaalt de IND ook of de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben en, als dat het geval is, het type persoonlijk onderhoud. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND prioriteert de behandeling van de aanvragen middels onderstaande procedures: de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure; de ontvankelijkheidsprocedure; en de (versnelde) asielprocedure Hieronder wordt ingegaan op de verschillende procedures. De volgorde waarin de procedures hieronder beschreven staan, is ook de volgorde waarin zij getoetst worden. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als eerste bepaalt de IND tijdens de triage of er sprake is van een Asiel- en migratiebeheerverordening procedure. De Asiel- en migratiebeheerverordening procedure is van toepassing als op basis van de gegevens uit de OVA-fase blijkt dat een andere lidstaat mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit kan blijken uit onder andere: gegevens uit Eurodac; gegevens uit EU VIS; verklaring van de vreemdeling (bijv. m.b.t. familieleden in een andere lidstaat of m.b.t. vergunning in een andere lidstaat); of overgelegde documenten. Als de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure van toepassing is, wordt tijdens de triage direct beoordeeld welke vervolgonderzoeken nodig zijn en of er een persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden. Zie paragraaf C2/3 Vc voor het verloop van de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure. Als de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure niet van toepassing is, is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Zodra is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, wordt als eerst beoordeeld of er een concrete aanwijzing is dat een van de gronden van artikel 38, eerste lid Procedureverordening van toepassing is. Als dit het geval is, is er sprake van de ontvankelijkheidsprocedure. Voor volgende aanvragen als bedoeld in artikel 38, tweede lid Procedureverordening gelden specifieke regels, zie paragraaf C2/5 Vc. De ontvankelijkheidsprocedure moet in beginsel binnen twee maanden worden afgerond. Deze termijn kan met twee maanden worden verlengd. Als uit informatie uit de OVA-fase blijkt dat de aanvrager al internationale bescherming in een andere lidstaat heeft, kan er op basis van artikel 13, elfde lid, Procedureverordening afgezien worden van het persoonlijk onderhoud. De IND informeert in dat geval de vreemdeling of, indien aanwezig, zijn gemachtigde dat er voldoende informatie is om een beslissing te nemen zonder persoonlijk onderhoud. De vreemdeling heeft één week de tijd om hierop te reageren. Vervolgens wordt op de aanvraag beslist. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als geen sprake is van de ontvankelijkheidsprocedure, beoordeelt de IND de asielaanvraag inhoudelijk. De behandeling van de asielprocedure kan worden versneld als uit informatie uit de OVA-fase of op een later moment concrete aanwijzingen naar voren komen dat mogelijk een van de gronden van artikel 42, eerste of derde lid Procedureverordening van toepassing is. Het is ook mogelijk om de behandeling van de asielaanvraag te versnellen op grond van artikel 42, eerste of derde lid Procedureverordening als er sinds de registratie van de aanvraag drie maanden zijn verstreken. Als sprake is van feitelijke of juridische elementen die te complex zijn om in het kader van een versnelde procedure te onderzoeken, wordt de versnelde procedure niet (langer) toegepast. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Tijdens de triage bepaalt de IND tevens of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Ook worden een aantal planningskaders bepaald: of er gelegenheid wordt gegeven een persoonlijk onderhoud te hebben, of er specifiek opgeleid personeel nodig is voor het persoonlijk onderhoud, de complexiteit van de aanvraag en de prioritering van de asielaanvraag. Als een van de situaties van artikel 13, elfde lid Procedureverordening van toepassing is, kan er af worden gezien van een persoonlijk onderhoud. De IND kan dit tijdens de triage bepalen maar ook op een later moment in de procedure. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als een vreemdeling de screeningsfase volledig heeft doorlopen aan de buitengrens, wordt in beginsel de asielgrensprocedure toegepast, indien de aanvraag conform artikel 3, derde lid Vw binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Zo spoedig mogelijk nadat de vreemdeling de asielgrensprocedure is ingestroomd, wordt de triage uitgevoerd. De triage na screening aan de grens is hetzelfde als de triage na de OVA-fase. De IND bepaalt tijdens de triage van de vreemdeling die de asielgrensprocedure doorloopt of de detentiemaatregel proportioneel is en of de aanvraag op basis van artikel 30a of 30b Vw binnen vijf weken niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond kan worden verklaard. Tijdens de triage bepaalt de IND vervolgens de prioritering en welke vervolgonderzoeken nodig zijn. Zie paragraaf C2/2 Vc voor het verdere verloop van de asielgrensprocedure en op welke wijze wordt bepaald of deze op de vreemdeling van toepassing is. Als op een bepaald moment besloten wordt de asielgrensprocedure niet langer toe te passen en er is nog geen beslissing genomen op de aanvraag, vindt er opnieuw een triage plaats. Omdat de asielgrensprocedure niet meer van toepassing is, bepaalt de IND tijdens deze aanvullende triage welke procedure van toepassing is en welke vervolgstappen nodig zijn om de aanvraag te kunnen afhandelen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij aanvragen vanuit vreemdelingenbewaring kunnen zich de volgende situaties voordoen: Vreemdeling bevindt zich in vreemdelingenbewaring en dient vervolgens een eerste asielaanvraag in Na de registratie en indienen van de aanvraag vindt dezelfde triage plaats als beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc. Vreemdeling gaat tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag in vreemdelingenbewaring Mogelijk zijn er al verschillende stappen gezet in de behandeling van de asielaanvraag. De triage is in beginsel hetzelfde zoals beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc, maar er wordt rekening gehouden met alle reeds uitgevoerde stappen in de behandeling van de asielprocedure. Vreemdelingenbewaring wordt opgeheven terwijl de asielaanvraag van de vreemdeling nog in behandeling is Nadat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, kan er een aanvullende triage plaatsvinden. Deze is vergelijkbaar met de aanvullende triage zoals beschreven onder paragraaf C1/3.3 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Vreemdelingen in strafrecht vallen niet binnen de reikwijdte van de Screeningsverordening, zij worden geïdentificeerd en geregistreerd door de KMar of de AVIM zoals beschreven in A6 Vc. Bij aanvragen van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) kunnen zich de volgende situaties voordoen. Vreemdeling zit op strafrechtelijke gronden in detentie en dient vervolgens een eerste asielaanvraag in Na de registratie en indiening van de aanvraag vindt dezelfde triage plaats als beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc. Vreemdeling wordt tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag op strafrechtelijke gronden gedetineerd Mogelijk zijn er al verschillende stappen gezet in de behandeling van de asielaanvraag. De triage is in beginsel hetzelfde zoals beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc maar er wordt rekening gehouden met alle reeds uitgevoerde stappen in de behandeling van de asielprocedure. De strafrechtelijke detentie wordt opgeheven terwijl de asielaanvraag van de vreemdeling nog in behandeling is Als de strafrechtelijke detentie wordt opgeheven, beoordeelt de IND of de vreemdeling in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. Vervolgens kan er een aanvullende triage plaatsvinden. Deze is vergelijkbaar met de aanvullende triage zoals beschreven onder paragraaf C1/3.3 Vc. De vreemdeling zit op strafrechtelijke gronden in detentie, heeft nog geen toegang gekregen tot Nederland en dient vervolgens een asielaanvraag in In beginsel wordt de asielgrensprocedure toegepast en voert de IND in dit kader de triage uit. Zie hiervoor paragraaf C1/3.3 Vc. De strafrechtelijke detentie wordt opgeheven terwijl de asielaanvraag nog in behandeling is van de vreemdeling aan wie geen toegang is verleend tot Nederland De IND beoordeelt of de asielgrensprocedure van toepassing kan blijven. Als dit het geval is, vindt er geen aanvullende triage plaats. Als de asielgrensprocedure niet langer van toepassing is, wordt de asielgrensprocedure opgeheven. De IND doet in dat geval een aanvullende triage om te beoordelen welke procedure en vervolgstappen nodig zijn. Op grond van artikel 42, eerste lid onder f Procedureverordening bestaat de mogelijkheid om de versnelde procedure toe te passen bij asielaanvragen die worden gedaan vanuit strafrecht of waarin de vreemdeling in de strafrechtketen heeft verbleven. Er kunnen dan namelijk redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Dit hangt onder meer af van de strafbare feiten waarvoor de vreemdeling in strafrecht verblijft of heeft verbleven. De IND maakt hierin een individuele afweging. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND biedt ondersteuning in de vorm van juridische counseling aan voor vreemdelingen in de asielprocedure tot het moment van koppelen van de asieladvocaat. De juridisch counselors zijn niet werkzaam voor de Directie Asiel en Bescherming van de IND en worden niet betrokken bij de besluitvorming van de aanvraag. Zij treden niet op als gemachtigde en hebben geen inzage in het dossier van de vreemdeling. Zij hebben geen invloed op de uitkomst van de procedure. Counselors verschaffen geen gegevens over individuele aanvragers aan overige onderdelen van de IND of vreemdelingenketen, tenzij de vreemdeling daar uitdrukkelijk om verzoekt. De IND biedt juridische counseling aan vanaf de OVA-fase. Gedurende deze fase kan de vreemdeling informatie inwinnen bij de juridisch counselors over de registratie en indiening van hun asielverzoek en zo nodig bijstand ontvangen bij de indiening van de aanvraag. Na de indiening van de asielaanvraag kan de vreemdeling, tot het moment dat een asieladvocaat is gekoppeld, op verzoek een afspraak maken met een juridisch counselor. De juridische counseling bestaat in deze fase uit begeleiding bij en uitleg over de procedures. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In artikel 12 Procedureverordening staat dat de vreemdeling voor het nemen van een beslissing op de aanvraag in de gelegenheid moet worden gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben over de inhoud van het verzoek. Hiervan kan worden afgezien in de gevallen genoemd in artikel 13, elfde lid Procedureverordening. Voor de leesbaarheid wordt verder gesproken over ‘gehoor’. Tijdens dit gehoor stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om de elementen aan te voeren ter staving van zijn verzoek. De vreemdeling wordt verder in de gelegenheid gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen. Indien van toepassing kan de IND de vreemdeling tijdens het gehoor bevragen over overige onderwerpen die van belang zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Het kan hier onder meer gaan om vragen in het kader van een binnenlands beschermingsalternatief, veilig derde land, openbare orde aspecten, de ambtshalve toetsing en het opleggen van een terugkeerbesluit en/of maatregel en/of signalering. Het gehoor vindt plaats in omstandigheden die privacy en vertrouwelijkheid garanderen en vreemdelingen de mogelijkheid bieden de redenen voor hun verzoek uitvoerig toe te lichten. Een vreemdeling kan op grond van artikel 13, negende lid Procedureverordening de IND verzoeken door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND gehoord te worden. De IND voldoet aan dit verzoek, als dat mogelijk is. De IND hoeft niet tegemoet te komen aan dit verzoek als de uitzonderingssituatie van artikel 13, negende lid Procedureverordening van toepassing is. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND stelt een minderjarige in de gelegenheid een gehoor te hebben, tenzij dit niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de IND, waarom de minderjarige geen gelegenheid is geboden om gehoord te worden. Begeleide minderjarigen kunnen, als ze dat wensen, hun mening als bedoeld in artikel 12 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) schriftelijk naar voren brengen. Het minderjarige kind en/of de ouder(s) dan wel een eventuele wettelijk vertegenwoordiger wordt door de IND verzocht aan te geven of de minderjarige gehoord wenst te worden. Dit verzoek wordt zo spoedig aan het minderjarige kind en/of de ouders(s) dan wel een eventuele wettelijk vertegenwoordiger gedaan. De IND houdt bij het horen van minderjarigen rekening met de leeftijd, het ontwikkelingsniveau en de belasting van de minderjarige. De IND hoort een niet-begeleide minderjarige vreemdeling jonger dan twaalf jaar in beginsel in een speciale daarvoor ingerichte, kindvriendelijke ruimte. De IND hoort een begeleide minderjarige vreemdeling in beginsel niet in een speciaal daarvoor ingerichte, kindvriendelijke ruimte. Als uit een pedagogisch of psychologisch onderzoek blijkt dat een vreemdeling jonger dan twaalf jaar problemen heeft die een gehoor belemmeren, zoekt de IND naar een wijze waarop het gehoor kan worden afgenomen, dan wel naar een andere passende oplossing. Gelet op artikel 23, achtste lid, Procedureverordening hebben de vertegenwoordiger en de gemachtigde tijdens het gehoor de gelegenheid vragen te stellen of opmerkingen te maken binnen het kader dat is vastgesteld door de persoon die het onderhoud voert. Tijdens het gehoor is een tolk beschikbaar die ervoor kan zorgen dat de communicatie tussen de vreemdeling en de persoon die het gehoor voert, goed verloopt, indien een goede communicatie zonder die diensten niet kan worden gewaarborgd. De vreemdeling wordt gehoord in een taal waaraan hij de voorkeur geeft. Indien echter binnen een redelijke termijn geen tolk beschikbaar is, kan een andere taal worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. De IND hanteert hierbij het uitgangspunt dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. De IND beschouwt als talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan in ieder geval: de officiële taal of één van de officiële talen van het gestelde land van herkomst van de vreemdeling; één van de lokale voertalen waarin in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling onderwijs wordt gegeven; een taal die in de gestelde streek van herkomst van de vreemdeling feitelijk door een meerderheid van de bevolking wordt gesproken; en een voertaal of handelstaal die in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling op nationaal of regionaal niveau feitelijk tussen sprekers van verschillende talen wordt gebruikt. Als een vreemdeling stelt tot een minderheid in het land van herkomst te behoren, veronderstelt de IND dat hij naast ten minste één taal die valt onder de hierboven genoemde soorten talen, ook de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat. Voor wat betreft een verzoek van de vreemdeling ten aanzien van het geslacht van de tolk is paragraaf C1/5.1 Vc van overeenkomstige toepassing. De gemachtigde van de vreemdeling mag op grond van artikel 13, dertiende lid Procedureverordening bij het gehoor aanwezig zijn. Aan het einde van het persoonlijk onderhoud wordt de gemachtigde en eventueel een ander persoon die aanwezig is tijdens het gehoor in gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. De gemachtigde en eventueel een ander persoon mag de aanvang en het verloop van het gehoor niet ophouden. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND stelt een uitvoerig en feitelijk verslag (rapport) van het gehoor op, dat in het dossier van de vreemdeling wordt opgenomen. Daarnaast wordt van het gehoor een geluidsopname gemaakt, die ook in het dossier wordt opgenomen. De vreemdeling wordt vooraf in kennis gesteld van het feit dat er een opname wordt gemaakt. De vreemdeling en zijn gemachtigde hebben zo snel mogelijk na het gehoor toegang tot het rapport van het gehoor. Ook krijgt de gemachtigde toegang tot de opname. De IND geeft de vreemdeling in beginsel een termijn van twee weken om schriftelijk correcties en aanvullingen in te dienen op het rapport van het gehoor. In de versnelde procedure geldt in beginsel een termijn van een week voor het indienen van eventuele correcties en aanvullingen. Voor de vreemdeling in vreemdelingenbewaring en VRIS geldt in beginsel eveneens een termijn van een week. Gelet op de (korte) beslistermijnen wordt terughoudend omgegaan met het verlenen van uitstel voor het indienen van correcties en aanvullingen. Gedacht kan worden aan plotselinge ziekte van gemachtigde of vreemdeling of het niet beschikbaar zijn van een tolk. De IND kan afzien van het bieden van gelegenheid voor het indienen van correcties en aanvullingen. Dat is in ieder geval mogelijk als dit naar het oordeel van de IND geen wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming of dat er anderszins een belang bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een besluit op de aanvraag. Bij dat laatste kan worden gedacht aan de situatie dat de asielaanvraag eerst kort voor een voorgenomen uitzetting is ingediend. De IND kan de termijn van een week voor het indienen van correcties en aanvullingen verkorten wanneer sprake is van overlast. Er is in ieder geval sprake van overlast als de vreemdeling: andere vreemdelingen lastigvalt of ruzie met hen maakt; de medewerkers in de vreemdelingenketen lastigvalt, of ruzie met hen maakt; vanwege een verslavingsprobleem overlast veroorzaakt; vanwege psychiatrische problemen overlast veroorzaakt; personen of bedrijven lastigvalt of ruzie met hen maakt (waaronder ook het openbaar vervoer); strafbare feiten pleegt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND maakt de beschikking bekend aan de vreemdeling of aan zijn gemachtigde (als deze bekend is). In de beschikking vermeldt de IND de wettelijk vereiste gegevens. Dit omvat mede de termijn waarin de vreemdeling Nederland moet verlaten (indien van toepassing). Als de IND de beschikking aan de vreemdeling bekend maakt, vermeldt de IND op het bij de beschikking gevoegde aanbiedingsformulier: de datum en het tijdstip van bekendmaken; en de naam van de ambtenaar die de beschikking uitreikt (indien van toepassing). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 18 Kwalificatieverordening, motiveert de IND, waarom niet is ingewilligd op grond van vluchtelingschap als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening. Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van artikel 23, eerste lid Kwalificatieverordening, motiveert de IND waarom niet is ingewilligd op grond van vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Op grond van artikel 35, derde lid Procedureverordening rondt de IND de versnelde behandelingsprocedure, als bedoeld in artikel 42 Procedureverordening, uiterlijk drie maanden na de datum van indiening van het verzoek af. Als algemene regel neemt de IND op grond van artikel 35, vierde lid Procedureverordening binnen zes maanden na indiening van het verzoek een beslissing. Op basis van artikel 35, vijfde lid Procedureverordening kan de beslistermijn met maximaal zes maanden worden verlengd indien: een onevenredig aantal verzoeken om internationale bescherming worden ingediend binnen dezelfde termijn; indien er complexe feitelijke en juridische kwesties aan de orde zijn; of wanneer de vertraging duidelijk en uitsluitend kan worden toegeschreven aan de vreemdeling bij het verstrekken van de gegevens op grond van artikel 9 Procedureverordening. Onder complexe feitelijke en juridische kwesties als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder b Procedureverordening wordt in ieder geval verstaan dat er onderzoek moet worden gedaan of advies moet worden gevraagd aan externe partijen of deskundigen. Er is ook sprake van een complexe feitelijke en juridische kwestie zoals bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder b Procedureverordening als er 1F-indicaties zijn. De IND neemt in ieder geval aan dat de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder c Procedureverordening als: het (eventuele) aanvullend gehoor op verzoek of door toedoen van de vreemdeling verzet wordt; er bepaalde omstandigheden in het leven van de vreemdeling spelen, zoals langdurige ziekte; de vreemdeling een contra-expertise laat uitvoeren; of de vreemdeling kort voor het verstrijken van de beslistermijn met omvangrijke nieuwe stukken komt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb. Algemeen uitgangspunt is dat ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsdoelen slechts plaatsvindt in het kader van eerste aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel. Bij een tweede of volgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND daarom niet ambtshalve of op verzoek aan: artikel 3.6a Vb; artikel 3.6b Vb; en of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw. Bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND evenmin ambtshalve of op verzoek of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw. Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe. Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe. Voor zover daar op grond van artikel 3.6ba Vb en paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat, beoordeelt de IND bij een eerste asielaanvraag of er op grond van artikel 3.6ba Vb aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Voor wat betreft de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb wordt verwezen naar paragraaf A3/7.2.3 Vc. De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb achterwege, wanneer aan de vreemdeling al eerder een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, Vw) of een ongewenstverklaring is opgelegd of wanneer met de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring wordt opgelegd. Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning zoals bedoeld in paragraaf B8/6 Vc. De IND brengt beschikkingen ter kennis in de zin van artikel 36, eerste lid en 67, achtste lid Procedureverordening door deze bekend te maken door toezending of uitreiking overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (zie paragraaf C1/6.1 Vc). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Artikel 82 Vw regelt wanneer het beroep de werking van het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel opschort. Artikel 7.3, eerste lid Vb regelt dat de vreemdeling in beginsel niet verwijderd mag worden in afwachting van de uitspraak op het tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, of als de termijn voor het indienen van een verzoek tot een voorlopige voorziening nog niet is verstreken. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND kan op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd uit Nederland in afwachting van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening indien het volgend verzoek enkel en alleen is ingediend om de uitvoering van een besluit dat zou leiden tot de spoedige verwijdering van de verzoeker uit Nederland, te vertragen of verhinderen en het volgend verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen en bevindingen. Bij de beoordeling of een verzoek enkel en alleen is ingediend om verwijdering te vertragen of verhinderen, betrekt de IND alle omstandigheden van het geval, waaronder met name: de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent; de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt; de bekendheid van de vreemdeling met het feit dat de voor de terugkeer noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn; of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat; de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 61 Procedureverordening (veilig land van herkomst); de onderbouwing van de aanvraag. Daarnaast kan de IND op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd als een tweede of verder volgend verzoek wordt gedaan na een definitieve beslissing waarbij een voorgaand volgend verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk-ongegrond. De IND maakt van deze bevoegdheid geen gebruik indien verwijdering zou leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement. Bij die beoordeling betrekt de IND in ieder geval of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die de kans op verlening van internationale bescherming aanzienlijk groter maken. Is dat niet het geval, dan rechtvaardigt dat de conclusie dat verwijdering niet zal leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij de volgende internationale instanties kan de vreemdeling een individuele klacht indienen als hij van mening is dat zijn rechten onder de betreffende verdragen zijn geschonden: het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM houdt toezicht op de naleving van het EVRM; het Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee). Dit comité houdt toezicht op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten (BUPO); het Comité tegen Foltering (Committee Against Torture). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; het Vrouwenrechtencomité (Committee on the Elimination of Discrimination against Women). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW); het Comité inzake de uitbanning van rassendiscriminatie (Committee on the Elimination of Racial Discrimination) dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag inzake de uitbanning van rassendiscriminatie. In het navolgende zullen de laatste vier organen worden aangeduid als ‘de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties’. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als het EHRM een voorlopige maatregel (interim measure) treft op grond van Regel (Rule) 39 van het procesreglement van het EHRM en de Nederlandse Staat verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling op te schorten, mag de vreemdeling gedurende de periode dat de voorlopige maatregel van kracht is niet worden uitgezet. Een voorlopige maatregel van het EHRM wordt gelijk gesteld met een door de nationale rechter toegewezen voorlopige voorziening en levert in beginsel rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8 onder h Vw. Als een vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit, vindt naar aanleiding van de door het EHRM getroffen voorlopige maatregel een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken: of de voorlopige maatregel in duur is beperkt; of de Nederlandse Staat aanleiding ziet om het EHRM te verzoeken om de voorlopige maatregel op te heffen; redenen van openbare orde of nationale veiligheid. De vreemdeling kan (gedwongen) worden uitgezet als het EHRM geen voorlopige maatregel treft. Uitspraken van het EHRM zijn juridisch bindend en worden (op)gevolgd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een verzoek om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties zijn, evenals de uiteindelijke zienswijze, niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt in beginsel voldaan, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om niet te voldoen aan een dergelijk verzoek, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeken om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties die door de Nederlandse staat worden gehonoreerd, doen geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h Vw ontstaan. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 Terugkeerrichtlijn ontvangt de gemachtigde van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet. Als het verzoek om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling wordt gehonoreerd door de Nederlandse Staat, vindt ten aanzien van de eventuele vreemdelingenbewaring een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken: of de voorlopige maatregel in duur is beperkt; of de Nederlandse Staat aanleiding ziet om de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties te verzoeken om terug te komen op het verzoek; redenen van openbare orde of nationale veiligheid. Als het mensenrechtenverdragsorgaan van de Verenigde Naties als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning aan de vreemdeling: als sprake is van gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag; als redenen van openbare orde of de nationale veiligheid zich daartegen verzetten; andere dringende redenen aanwezig zijn die zich verzetten tegen verlening van een verblijfsvergunning. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel