In de volgende paragrafen wordt ingegaan op specifieke procedures die afwijken van de standaard asielprocedure zoals beschreven in hoofdstuk C1 Vc.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De asielgrensprocedure is geregeld in artikel 43 tot en met 45 Procedureverordening en artikel 3, derde tot en met zevende lid, Vw.
De vreemdeling geeft in persoon bij de ambtenaar belast met de grensbewaking te kennen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen. De procedure voor de screening van vreemdelingen die de asielgrensprocedure instromen, is opgenomen in paragraaf A6/2 Vc. De termijnen voor het registreren en indienen van de aanvraag zijn opgenomen in artikel 35 Procedureverordening.
Vreemdelingen die de asielgrensprocedure instromen worden naar het Aanmeldcentrum Schiphol gelegen in het Justitieel Complex Schiphol overgebracht voor de verdere behandeling van de asielaanvraag. Indien de behandeling van het verzoek niet in de asielgrensprocedure zal plaats vinden, wordt de vreemdeling doorgeleid naar het screeningslocatie op het grondgebied (zoals in paragraaf A6/2.3 Vc) waar, indien van toepassing, ook de screening zal worden voortgezet. Na het indienen van het verzoek vindt een triage plaats zoals bedoeld in paragraaf C1/3.3 Vc. Tijdens de triage van de vreemdeling die de asielgrensprocedure doorloopt zal ook bezien worden of het voortduren van de detentiemaatregel proportioneel is.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND toetst tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voortdurend of de aanvraag conform artikel 3, derde lid, Vw binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Het uitgangspunt is dat de IND uiterlijk na het persoonlijk onderhoud, op basis van volledige informatie, aan de vreemdeling kenbaar maakt indien zijn aanvraag niet in de asielgrensprocedure verder kan worden behandeld. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium de relevante informatie voorhanden is.
De IND moet de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in de asielgrensprocedure voortvarend behandelen. Er wordt daarom zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud afgenomen. Na het persoonlijk onderhoud is er een termijn voor het indienen van correcties en aanvullingen van één dag. In ieder geval dient binnen 5 weken na registratie van de aanvraag te worden beslist. De termijn van vijf weken kan met vier weken worden verlengd wanneer de vreemdeling naar Nederland is herplaatst overeenkomstig artikel 67, elfde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Indien de IND concludeert dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet binnen de asielgrensprocedure verder kan worden behandeld, of als duidelijk is dat de termijn van 5 weken voor de administratieve fase niet kan worden gehaald, dan wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw opgeheven. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing. De behandeling van de asielaanvraag wordt te lande voortgezet.
Als een van de gronden van artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, Procedureverordening van toepassing is maar op individuele basis geconcludeerd wordt dat de aanvraag ingewilligd wordt, wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw zo spoedig mogelijk opgeheven. Het inwilligende besluit wordt zo mogelijk bekendgemaakt op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang middels model M17A. Daarnaast legt de bevoegde ambtenaar middels model M19B een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw.
Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en opleggen van de nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn.
Conform artikel 3, derde lid en onder a Vw wordt, op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, getoetst of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 30, eerste lid Vw niet in behandeling wordt genomen omdat een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.
Voor een aanvraag waarop de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure van toepassing is, geldt dat, indien van toepassing, zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud wordt afgenomen. Paragraaf C2/3.4.2 Vc over het persoonlijk onderhoud in de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure is van overeenkomstige toepassing.
Indien de IND niet binnen vijf weken na registratie een beschikking tot niet in behandeling nemen van de aanvraag heeft genomen dan wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw, opgeheven. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing.
Nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang middels model M17A. Daarnaast legt de bevoegde ambtenaar middels model M19Aeen nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6a, eerste lid, Vw.
Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en opleggen van de nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn.
Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, terwijl de aanvraag niet binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, Vw kan worden afgedaan, stelt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, VV de vreemdeling aansluitend in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Hiervan is in ieder geval sprake indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel mogelijk met toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden afgewezen (zie paragraaf A5/6.4 Vc).
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND neemt gelet op het bepaalde in artikel 30, eerste lid Vw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling als een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND houdt tijdens de toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening rekening met de waarborgen zoals die neergelegd zijn in artikel 16 en 19 tot en met 23 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De criteria voor de bepaling van de verantwoordelijkheid van het behandelen van verzoek om internationale bescherming zijn opgenomen in hoofdstuk II van deel III van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In hoofdstuk III van deel III worden afhankelijke personen benoemd, alsmede de discretionaire clausule.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is, biedt enkel artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening de IND de mogelijkheid om tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat over te gaan. De IND maakt, als wordt voldaan aan de relevante criteria zoals opgenomen in artikelen 23 en 25 Asiel- en migratiebeheerverordening, gebruik van deze mogelijkheid. Dit is in lijn met overweging 53 van de preambule van de Asiel- en migratiebeheerverordening, ter ontmoediging van niet-toegestane verplaatsingen van niet-begeleide minderjarigen.
Als een niet-begeleide minderjarige een gezinslid of een broer of zus in een andere lidstaat heeft, en die zich daar wettig ophoudt, geldt die lidstaat als de verantwoordelijke lidstaat.
Als sprake is van een familielid in een andere lidstaat, en die zich daar wettig ophoudt, dan wordt op basis van individueel onderzoek beoordeeld of dit familielid voor de niet-begeleide minderjarige kan zorgen.
Het is in beide gevallen blijkens het tweede en derde lid van artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening aan de niet-begeleide minderjarige om aan te tonen dat overdracht niet in zijn belang is.
In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (1) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 25 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.
Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 25 van de de Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: (procedureel) rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning, op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat, op basis van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat, of als burger van een lidstaat.
Bij onvoldoende aanwijzingen over de verblijfplaats van gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige wijst de IND de minderjarige op hulp die hij kan inroepen bij het traceren van gezins- of familieleden.
Bij ontstentenis van gezinsleden, broers of zussen of familieleden, is de lidstaat waar het verzoek van de niet-begeleide minderjarige voor het eerst is geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat, indien dat in het belang van het kind is. De IND zal dit beoordelen en de conclusie(s) duidelijk vermelden in het overdrachtsbesluit.
Als in een voorkomend geval de conclusie is, dat overdracht aan een andere lidstaat niet in het belang van de niet-begeleide minderjarige is, dan neemt de IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.
Wanneer de IND een verzoek ontvangt tot overname van de aanvraag van een niet-begeleide minderjarige met familieleden in Nederland, voert de Raad voor de Kinderbescherming het individueel onderzoek, genoemd in artikel 25, derde lid van de Verordening, uit waarin wordt vastgesteld of het familielid in Nederland voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
In de artikelen 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening staan regels opgenomen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van een vreemdeling, als deze vreemdeling gezinsleden heeft in een andere lidstaat.
Wie als gezinslid wordt aangemerkt staat opgenomen in artikel 2, aanhef en onder 8, Asiel- en migratiebeheerverordening.
In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (2) en (3) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 26 tot en met 28 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Voor het begrip ‘wettig in een lidstaat verblijven’ als bedoeld in artikel 26 wordt door de IND aangesloten bij de letterlijke tekst van het eerste en tweede lid van artikel 26 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Voor het vaststellen van de familieband geldt het volgende. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is voor de toepassing van artikel 25, 26, 27, 28 of 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Onder een diploma of kwalificatie zoals bedoeld in artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening wordt het volgende verstaan:
Een getuigschrift, diploma of schooldiploma ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgerond als bedoeld in de artikelen 2.58, tweede lid, onder a en b, en derde lid, en 2.80, tweede lid, onder a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 7.4.6 en 7.4.11, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 7.11, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, behaald na een studieperiode van ten minste één schooljaar of studiejaar in Nederland dat ten minste gelijkwaardig is aan niveau 2 van de International Standard Classification of Education met uitzondering van onlinecursussen of andere vormen van afstandsleren.
Niveau 2 van de International Standard Classification of Education komt overeen met lager secundair onderwijs, bijvoorbeeld VMBO.
In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (6) opgenomen, met welke directe en indirecte bewijzen diploma’s of andere kwalificaties onderbouwd kunnen worden.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als sprake is van afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening, zorgt de IND er normaliter voor dat de vreemdeling kan blijven bij of worden herenigd met de in dit artikel omschreven groep van personen, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de familiebanden al bestonden voordat de vreemdeling aankwam op het grondgebied van de lidstaten. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten.
Daarbij is in ieder geval vereist dat de vreemdeling of het familielid het vermogen heeft de daadwerkelijke zorg te kunnen en willen verlenen en dat de betrokken personen schriftelijk hebben verklaard dat zij bij elkaar willen blijven of met elkaar herenigd willen worden. De IND betrekt daarbij ook de vraag of deze zorg uitsluitend door de vreemdeling of het familielid kan worden geleverd, of dat deze zorg ook door anderen, zoals professionele zorginstellingen of andere zorg van overheidswege, kan worden geleverd. De persoon in kwestie moet een zodanig unieke positie innemen als zorgverlener dat hij of zij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen.
Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 34, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: het kind, broer of zus, of de ouder van de vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning of heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Voor ‘wettig verblijven in een andere lidstaat’ in de zin van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening hanteert de IND gelijke criteria.
De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan hem gedurende een significante tijdsspanne beletten om naar de verantwoordelijke lidstaat te reizen. Op grond van artikel 34, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening kan de lidstaat waar de vreemdeling zich ophoudt hierdoor de verantwoordelijke lidstaat worden. Als significante tijdspanne houdt de IND tenminste een periode van zes maanden aan.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Een lidstaat kan besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat er niet toe verplicht. Dit is de discretionaire bevoegdheid die staat in artikel 35, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening. De IND maakt in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.
De IND kan op grond van artikel 35, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van betekenisvolle banden op basis van familie-, sociale of culturele overwegingen, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De betrokken personen moeten hiermee schriftelijk instemmen.
De IND kan ook een verzoek van een andere lidstaat om de aanvraag over te nemen accepteren, terwijl ze daartoe niet verplicht is. De IND maakt van deze mogelijkheid terughoudend gebruik.
Uit artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening volgt dat de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, geen onderdeel uitmaakt van een rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
In de screeningsfase verzamelt de screeningsautoriteit (KMar of IND) informatie op basis waarvan de triage (zie verder paragraaf C1/3 Vc) uitgevoerd gaat worden. Hieruit kan volgen dat (mogelijk) een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming (zie artikel 8, vijfde lid, Screeningsverordening en zie verder paragraaf ‘Screening’ Vc). Dit kan blijken uit het raadplegen van Eurodac en VIS. Het kan ook blijken uit documenten van de vreemdeling en uit verklaringen.
Bij de beoordeling of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming onderzoekt de IND of er sprake is van indicaties dat de procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening doorlopen moet worden.
Als tijdens het onderzoek wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een vreemdeling, dan neemt IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als sprake is van indicaties voor een overnameprocedure, als bedoeld in artikel 39 Asiel- en migratiebeheerverordening, dan houdt de IND in de regel een persoonlijk onderhoud als bedoeld in artikel 22 Asiel- en migratiebeheerverordening. Van het persoonlijk onderhoud wordt een geluidsopname gemaakt. Hierbij wordt aangesloten bij paragraaf C1/5.4 Vc.
In artikel 22, derde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening is bepaald, dat het persoonlijk onderhoud moet zijn afgenomen, voordat het overnameverzoek aan een andere lidstaat wordt verzonden.
Het verslag van het persoonlijk onderhoud wordt afgesloten met een samenvatting van het persoonlijk onderhoud. Deze samenvatting wordt aan het eind van het persoonlijk onderhoud voorgelezen aan de vreemdeling, waarna de vreemdeling op grond van artikel 22, zevende lid, Asiel- en migratiebeheerverordening onmiddellijk en mondeling correcties en aanvullingen mag doorgeven.
Als sprake is van een terugnameprocedure dan is een persoonlijk onderhoud niet voorgeschreven en zal dat in de regel ook niet plaatsvinden.
Begeleide minderjarige kinderen in een procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening krijgen in afwijking van paragraaf C1/5.2 Vc de gelegenheid hun mening schriftelijk naar voren te brengen, ook wanneer hun ouders niet worden gehoord.
Bij de niet-begeleide minderjarige vreemdeling neemt de IND wel een persoonlijk onderhoud af, zodat het belang van het kind getoetst kan worden. Gedurende de procedure mag een niet-begeleide minderjarige zijn of haar mening ook altijd schriftelijk kenbaar maken.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
In artikel 22, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening staan situaties opgenomen, waaronder afgezien kan worden van een persoonlijk onderhoud.
Onder de situatie van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, Asiel- en migratiebeheerverordening dat een vreemdeling is ondergedoken wordt mede verstaan de situatie als de verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.
Als de vreemdeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, Asiel- en migratiebeheerverordening, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het persoonlijk onderhoud, dan neemt de IND aan dat de vreemdeling geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen terwijl hij nog valt onder het bereik van de Asiel- en migratiebeheerverordening dient daarvoor gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.
Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, Asiel- en migratiebeheerverordening zal er bij een volgende aanvraag geen persoonlijk onderhoud plaatsvinden. De vreemdeling heeft immers bij zijn eerste aanvraag al de relevante informatie als bedoeld in artikel 19 Asiel- en migratiebeheerverordening ontvangen, er is inmiddels al een claimakkoord tot stand is gekomen met de verantwoordelijke lidstaat, en de vreemdeling kan middels de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de benodigde informatie verstrekken.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND kan de vreemdeling op grond van artikel 17, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening bij een overname situatie een aanvullende termijn bieden voor het verstrekken van aanvullende informatie. Dit kan alleen wanneer de vreemdeling niet in staat is deze informatie tijdens het persoonlijk onderhoud te verstrekken en wanneer het gaat om informatie die noodzakelijk is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. De termijn die door de IND wordt geboden is afhankelijk van de resterende termijn voor het indienen van het overnameverzoek en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND maakt de beschikking op grond van artikel 42 Asiel- en migratiebeheerverordening bekend door uitreiking aan de vreemdeling of door toezending aan gemachtigde, nadat:
het overnameverzoek door een andere lidstaat is aanvaard; of
een kennisgeving inzake terugname is gedaan en bevestigd.
Bovenstaande geldt ook wanneer aanvaarding of bevestiging het gevolg is van het niet tijdig reageren van de aangezochte lidstaat.
Als het verzoek om internationale bescherming niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid Vw, neemt de IND in ieder geval in de beschikking op:
dat de vreemdeling wordt overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (overdrachtsbesluit)
de informatie bedoeld in artikel 42, tweede en vierde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening
of de vreemdeling van rechtswege geen recht heeft op opvangvoorzieningen op basis van artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.
de verplichting voor de vreemdeling als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening om mee te werken met de bevoegde autoriteiten en om het overdrachtsbesluit na te komen.
De vreemdeling heeft van rechtswege geen recht op opvangvoorzieningen in een andere lidstaat dan die waar hij op grond van artikel 17, vierde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening aanwezig dient te zijn. De vreemdeling heeft wel recht op opvangvoorzieningen tot aan de overdracht in de volgende situaties:
De vreemdeling heeft het eerste verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland en waarbij:
Nederland de lidstaat van eerste binnenkomst is; of
De vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfstitel of geldig visum dat door Nederland is afgegeven; of
De vreemdeling zich in Nederland bevond op het moment dat een geldige verblijfstitel of een geldig visum nietig werd verklaard, werd ingetrokken of werd herroepen.
De vreemdeling is in het kader van solidariteit naar Nederland herplaatst en er is alsnog vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is
Er bestaan redelijke gronden om aan te nemen dat de vreemdeling het slachtoffer zou kunnen zijn geweest van strafbare feiten op het gebied van mensenhandel. Het gebruik maken van de bedenktijd of het doen van een aangifte is niet voldoende om aan te nemen dat deze redelijke gronden bestaan.
Een voorwaarde voor het vervallen van het recht op deze opvangvoorzieningen is dat de vreemdeling moet zijn geïnformeerd over zijn of haar verplichtingen en de gevolgen van niet-nakoming daarvan overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b Procedureverordening of artikel 5, lid 1 en artikel 21 Opvangrichtlijn. De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling hierover is geïnformeerd wanneer sprake is van een eerdere aanvraag in een andere lidstaat op of na 12 juni 2026, tenzij expliciet door de betreffende lidstaat is aangegeven dat deze de vreemdeling niet heeft geïnformeerd.
In de bijzondere individuele omstandigheden zoals benoemd in artikel 18, vierde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening kan in de regel worden voorzien in de versoberde opvang van het COA als bedoeld in artikel 18, eerste lid. Desgewenst kan de vreemdeling gebruik maken van de klachtenregeling van het COA.
Voor wat betreft het bekendmaken van de beschikking wordt verwezen naar paragraaf C1/6.1 Vc.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder a, eerste lid, Vw bedraagt de beroepstermijn één week.
De IND schort op grond van artikel 43, derde lid van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en artikel 69, zevende lid, Vw de uitvoering van het overdrachtsbesluit op als de vreemdeling gelijktijdig met een (tijdig ingesteld) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening indient.
Op grond van artikel 69, zevende lid, Vw in combinatie met artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, Vw wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit niet opgeschort, als de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend of wanneer het verzoek niet gelijktijdig met het beroep is ingediend.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Artikel 46, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening geeft de IND de mogelijkheid om de overdrachtstermijn tot maximaal een jaar te verlengen bij gevangenzetting van de vreemdeling. Van gevangenzetting in voormelde zin is sprake bij een rechterlijke beslissing tot vrijheidsbeneming die in het kader van een strafrechtelijke procedure is gegeven ten aanzien van een persoon die een strafbaar feit heeft gepleegd of die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd.
Verder geeft deze bepaling de mogelijkheid om de overdrachtstermijn tot maximaal drie jaar te verlengen als de vreemdeling, of een gezinslid die samen met de vreemdeling moet worden overgedragen:
is ondergedoken in de zin van artikel 2, zeventiende lid, Asiel- en migratiebeheerverordening;
de vreemdeling heeft kennelijk het grondgebied van Nederland zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten verlaten
de vreemdeling verzuimt melding te doen van afwezigheid bij COA en/of de organisatie die onderdak biedt aan betrokkene
de vreemdeling verzuimt te verschijnen bij de bevoegde autoriteiten nadat dit door deze autoriteiten is vereist
zich fysiek tegen de overdracht verzet;
er opzettelijk voor zorgt dat hij of zij niet in staat is te worden overgedragen; of
niet aan de medische vereisten voor de overdracht voldoet.
De vreemdeling moet in kennis worden gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht. Ook moet hij geïnformeerd worden over de gevolgen van het niet meewerken hieraan. Als de vreemdeling op de hoogte was van zijn verplichtingen, en vervolgens (tijdelijk) niet beschikbaar blijft voor de autoriteiten, dan neemt de IND in ieder geval aan dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken. De IND stelt de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming tijdig op de hoogte van de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum. De IND verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als er sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als een vreemdeling aan wie op grond van artikel 59 of 59a Vw een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd aangeeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient de vreemdeling deze aanvraag in op het aanmeldcentrum Schiphol of op de locatie waar de vrijheidsontnemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd. De termijnen zoals bedoeld in artikel 35 Procedureverordening zijn van toepassing. Na het indienen van de aanvraag vindt een triage plaats zoals bedoeld in paragraaf C1/3.4 Vc.
De IND beoordeelt in overleg met de DTenV, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de vreemdeling voor de behandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel (tijdelijk) wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol in verband met het persoonlijk onderhoud.
In beginsel zal de vreemdeling na de nabespreking van het persoonlijk onderhoud met de gemachtigde teruggebracht worden naar de bewaringslocatie alwaar hij verbleef voordat hij werd overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol.
De IND kan er in overleg met de DTenV voor kiezen de gehele asielprocedure te voeren vanaf de bewaringslocatie. De IND weegt bij de beoordeling of gekozen wordt voor de oorspronkelijke bewaringslocatie of die aan de grens in ieder geval de volgende omstandigheden mee:
de mogelijkheid van een spoedige uitzetting na een eventuele afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel;
de beschikbaarheid van tolken in aanmeldcentrum Schiphol;
de mogelijkheden tot vervoer van de vreemdeling van de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd naar aanmeldcentrum Schiphol; en
de omstandigheden gelegen in de persoon van de vreemdeling.
Na indiening van de aanvraag wordt een advocaat toegewezen. Op een passend moment voorafgaand aan het persoonlijk onderhoud vindt de voorbereiding door de advocaat plaats.
De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel moet gelet op het bepaalde in artikel 59b, tweede lid, Vw zo spoedig als mogelijk worden afgerond. Gelet hierop wordt zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud ingepland.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Indien nog geen beslissing op een eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is genomen of in het geval de rechtbank nog niet beslist heeft op het beroep tegen de beslissing die is genomen op deze aanvraag, is er nog geen sprake van een definitieve beslissing in de zin van artikel 55 Procedureverordening. De tweede op volgende aanvraag wordt dan niet aangemerkt als een nieuw verzoek, maar als een nadere verklaring. Deze dient dan ook niet als zodanig te worden geregistreerd. De nadere verklaring dient beoordeeld te worden in het kader van de lopende aanvraag of het lopende beroep. Deze nadere verklaring dient dan ook toegezonden te worden aan de rechtbank.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Indien een verzoek om internationale bescherming bij een definitieve beslissing is afgewezen in een andere lidstaat, zal dit verzoek ook als een volgend verzoek moeten worden beschouwd en behandeld (zie artikel 55, tweede lid Procedureverordening).
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De vreemdeling, of de wettelijk vertegenwoordiger, die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, dient deze aanvraag in op werkdagen tussen 08:00 en 15:00 uur op het aanmeldcentrum Ter Apel. De in artikel 3.50a VV genoemde gevallen zijn hiervan uitgezonderd. Een tweede of volgende aanvraag die niet in persoon is ingediend op het aanmeldcentrum Ter Apel is niet overeenkomstig artikel 28 Procedureverordening en artikel 36, eerste lid, Vw ingediend. De vreemdeling krijgt dan een termijn van drie dagen om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan zal de aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid aanhef en onder b Vw (en artikel 41, eerste lid aanhef en onder a Procedureverordening).
De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, dient daarvoor, behoudens de in artikel 3.50a VV genoemde gevallen, gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.
Als de IND de bijlage met bewijsmiddelen heeft ontvangen, verstrekt de IND aan de vreemdeling een bewijs van ontvangst, waarin staat beschreven welke bewijsmiddelen de IND heeft ontvangen. Voor wat betreft de teruggave van bewijsmiddelen door de IND zijn de beleidsregels in paragraaf A2/8 Vc van toepassing.
Indien de vreemdeling het model M35-O incompleet indient, waardoor informatie ontbreekt om op de aanvraag te kunnen beslissen, wordt de vreemdeling een herstel verzuim periode geboden van drie dagen om de aanvraag alsnog te completeren. Als de vreemdeling de aanvraag niet binnen de gestelde termijn completeert, wordt de aanvraag beoordeeld op basis van hetgeen de vreemdeling met het ingediende model M35-O heeft aangevoerd. Als de ontbrekende informatie noodzakelijk is voor de beoordeling, zal de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard omdat geen sprake is van nieuwe relevante elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
De IND geeft een kortere termijn voor het completeren van de aanvraag als:
er reden is om aan te nemen dat de vreemdeling de opvolgende aanvraag met name heeft ingediend met als doel het genereren van opvang dan wel dat uit het model M35-0 volgt dat de vreemdeling geen asielmotief aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag legt;
de vreemdeling in het half jaar voorafgaand aan de nieuwe aanvraag eerder een opvolgende aanvraag heeft ingediend die inhoudelijk is afgedaan en hij aan de nieuwe opvolgende aanvraag dezelfde elementen en bevindingen ten grondslag legt zonder toe te lichten wat er veranderd of gewijzigd is.
De herstel verzuim termijn kan worden onthouden als:
de vreemdeling eerder een opvolgende aanvraag heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard omdat de aanvraag niet compleet was; en
er reden is om aan te nemen dat de vreemdeling de opvolgende aanvraag met name heeft ingediend met als doel het genereren van opvang dan wel dat uit het model M35-0 volgt dat de vreemdeling geen asielmotief aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag legt.
De IND start na ontvangst van het volledig ingevulde en complete model M35-O op basis van de daarmee verstrekte informatie en bewijsmiddelen met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag. Dit onderzoek omvat tevens de beoordeling van volgende aanvragen. Wanneer een vreemdeling een volgende aanvraag indient, onderzoekt de IND of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 30a, eerste lid Vw. Zoals bedoeld in artikel 38, tweede lid Procedureverordening. Dit onderzoek bestaat uit twee fasen.
In de eerste fase onderzoekt de IND of er sprake is van nieuwe relevante elementen. Dat is het geval als:
de vreemdeling aan de volgende aanvraag relevante elementen ten grondslag legt die niet zijn onderzocht en beoordeeld tijdens de eerdere asielprocedure(s); en
die de vreemdeling buiten zijn schuld om niet eerder naar voren had kunnen brengen, tenzij deze elementen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.
Wanneer niet aan één van de voorwaarden uit bovenstaande is voldaan, dan kan de volgende aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard. Hierbij verwijst de IND naar artikel 55 Procedureverordening.
Als wel sprake is van nieuwe relevante elementen, onderzoekt de IND in de tweede fase of deze nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten. Is dit niet het geval, dan kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard.
De IND beoordeelt de aanvraag inhoudelijk op inwilligbaarheid als sprake is van nieuwe relevante elementen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.
Bij de toets of de nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten, betrekt de IND de redenen voor de afwijzing van de vorige aanvra(a)g(en) en beoordeelt deze redenen in onderlinge samenhang met de nieuwe relevante elementen. Deze gezamenlijke afweging leidt dan tot een conclusie of deze nieuwe relevante elementen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.
De IND wijst een volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet af als niet-ontvankelijk als er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende elementen en bevindingen. Hiervan is in ieder geval sprake indien hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en/of overgelegd tot het oordeel leidt dat met de uitzetting van de vreemdeling artikel 3 EVRM wordt geschonden.
De IND beschouwt een verzoek om heroverweging dat is ingediend door een vreemdeling die niet in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel als een onvolledige aanvraag van een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling krijgt dan een termijn van drie dagen om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan zal de aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid aanhef en onder b Vw (en artikel 41, eerste lid aanhef en onder a Procedureverordening
De IND beslist na ontvangst van een volledige aanvraag of en op welke datum het persoonlijk onderhoud plaatsvindt. Er vindt gelet op artikel 13, elfde lid Procedureverordening geen persoonlijk onderhoud plaats als de IND op basis van het dossier, de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de aanvraag niet-ontvankelijk kan verklaren. De IND kan besluiten om die reden af te zien van een persoonlijk onderhoud in de situatie dat de vreemdeling:
zich beroept op hetzelfde asielrelaas als in een eerdere procedure zonder dat er nieuwe elementen of bevindingen zijn, dan wel zonder horen kan worden vastgesteld dat de nieuwe elementen of bevindingen niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag;
een beroep doet op (nieuwe) informatie of stukken waarvan zonder horen kan worden vastgesteld dat ze de kans niet aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;
een beroep doet op de gestelde verslechterde algemene veiligheidssituatie in zijn land van herkomst en de IND de beoordeling kan doen op grond van informatie die uit openbare bronnen beschikbaar is en de IND de aanvraag nog steeds niet-ontvankelijk kan verklaren omdat deze elementen de kans niet aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw; of
een volgende asielaanvraag hoofdzakelijk baseert op stukken die zijn medische situatie betreffen en de IND de aanvraag nog steeds niet-ontvankelijk kan verklaren omdat deze elementen de kans niet aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;
een volgende aanvraag doet om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel als meereizend of nareizend gezinslid (artikel 29b, artikel 29c en artikel 29d Vw);
geen nieuwe relevante elementen naar voren brengt die verband houden met een eerdere toegepaste grond voor niet-ontvankelijkheid als het eerdere verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk;
een volgende aanvraag indient die afhankelijk is van de aanvraag van een familie- of gezinslid en geen elementen naar voren zijn gebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker zelf in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;
valse of vervalste documenten overlegt en geen andere elementen naar voren zijn gebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker zelf in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;
een beroep doet op (nieuw) beleid waar hij evident niet onder valt dan wel in aanmerking wenst te komen voor verblijf op niet asiel gerelateerde gronden.
Als de vreemdeling wel in de gelegenheid wordt gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben, maar zonder voorafgaande mededeling niet verschijnt voor dat onderhoud, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf C4/4.3 Vc impliciete intrekking.
Paragraaf C1/6.1 Vc onder ‘Wijze van bekendmaken’ is van toepassing.
De IND zendt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. Indien bij de IND geen gemachtigde bekend is en de vreemdeling aanwezig is op het aanmeldcentrum reikt de IND de beschikking in persoon uit aan de vreemdeling.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als de vreemdeling aangeeft een volgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te willen dienen, pas nadat er concrete handelingen zijn verricht in het kader van het effectueren van zijn vertrek, zoals dat hij door de DTenV is geïnformeerd over de datum van de vlucht ten fine van zijn verwijdering (zie artikel 3.50a VV), merkt de IND deze aanvraag aan als een lastminuteaanvraag.
Zodra de vreemdeling aangeeft een lastminuteaanvraag te willen indienen, beoordeelt de IND of het mogelijk is deze aanvraag vóór de geplande uitzetting te behandelen. De IND betrekt bij die beoordeling mede de tijd die nodig is om de vreemdeling over te kunnen brengen naar Aanmeldcentrum Schiphol.
Als het niet mogelijk is om de volgende aanvraag te behandelen vóór de geplande uitzetting of overdracht, dan beoordeelt de IND of de uitzetting op grond van een van de uitzonderingen als genoemd in artikel 56 Procedureverordening doorgang kan vinden.
In dat geval bepaalt de IND waar en op welke wijze de vreemdeling (in afwijking van de normale wijze) zijn aanvraag kan indienen. Na de indiening van de aanvraag neemt de IND, indien nodig, zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud af. De IND neemt dit persoonlijk onderhoud in de regel af op de locatie waar de vreemdeling zich op dat moment bevindt. Tijdens het persoonlijk onderhoud stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om nieuwe relevante elementen naar voren te brengen en vraagt de vreemdeling naar de redenen voor de late indiening van de aanvraag. De IND beoordeelt op basis van het persoonlijk onderhoud en de overige omstandigheden van het geval, waaronder informatie van de DTenV, of de uitzetting achterwege blijft of doorgang kan vinden. Als de uitzetting niet achterwege blijft, wordt een beslissing hieromtrent kenbaar gemaakt aan de vreemdeling en zijn gemachtigde.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Na de uitzetting van de vreemdeling behandelt de IND de volgende aanvraag binnen de termijn van twee maanden zoals neergelegd in artikel 35, eerste lid Procedureverordening. De beschikking kan worden bekendgemaakt door middel van verzending aan gemachtigde.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als de geplande uitzetting van de vreemdeling wordt geannuleerd, vindt de (verdere) behandeling van de volgende aanvraag plaats zoals hierboven beschreven. Als aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, wordt deze in beginsel voortgezet of opnieuw (op een andere grondslag) opgelegd.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Uitgangspunt is dat een lidstaat van de Europese Unie voldoende bescherming biedt aan de eigen burgers.
De IND verklaart een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie niet-ontvankelijk op grond van Protocol (Nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tenzij een van de volgende omstandigheden van toepassing is:
indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 EVRM, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag; of
indien de in artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad, of in voorkomend geval de Europese Raad hieromtrent een besluit heeft genomen ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is; of
indien de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, van dat Verdrag een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is; of
indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.
Het enkele feit dat een procedure zoals bedoeld in artikel 7 VEU is gestart, betekent niet dat de aanvraag om die reden inhoudelijk moet worden behandeld en dat deze niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. In dat geval dient te worden beoordeeld of de asielmotieven van de vreemdeling in direct verband staan met de achtergronden bij de artikel 7-procedure.
De d-grond zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden toegepast en slechts in het geval de Minister hiertoe besloten heeft.
De IND toetst gelet op het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit niet ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Wet wanneer een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie een asielaanvraag indient.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Hervestiging vindt plaats overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1350 tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147 (hierna: Hervestigingsverordening).
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor hervestiging wordt gedaan door de IND. In deze procedure wordt het advies van het COA en/of BMA betrokken. Deze beoordeling vindt plaats voor de komst van de vreemdeling naar Nederland.
Op basis van de door de UNHCR verstrekte informatie besluit de IND of er een toelatingsprocedure wordt gevoerd ten aanzien van een vreemdeling. Indien hiertoe besloten wordt, beoordeelt de IND of de vreemdeling – gelet op het bepaalde in artikel 9, zesde lid, in combinatie met artikel 5, Hervestigingsverordening – te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade en hij daarmee voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, of artikel 29a Vw in aanmerking komt.
De IND betrekt bij die beoordeling of de toelating op grond van artikel 6, eerste lid Hervestigingsverordening geweigerd moet worden. De IND kan de toelating weigeren indien sprake is van situaties zoals beschreven in artikel 6, tweede lid, Hervestigingsverordening. Voor de beoordeling van de omstandigheden zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, onder c en d Hervestigingsverordening, wordt het advies van het COA en/of het BMA betrokken.
Hierna volgt een conclusie van de IND over hervestiging van de vreemdeling, en indien van toepassing, de in artikel 5, vierde lid, Hervestigingsverordening genoemde gelijktijdig voor hervestiging voorgedragen familieleden.
Na de conclusie van de IND, verzorgt het COA een Culturele Oriëntatie training als een verplicht onderdeel van het hervestigingsproces.
De IND stopt de toelatingsprocedure alsnog na een positieve conclusie indien de vreemdeling zijn instemming intrekt (artikel 9, elfde lid Hervestigingsverordening). In de overige gevallen genoemd in het elfde lid kan de IND de toelatingsprocedure alsnog stoppen.
Indien nieuwe informatie of gewijzigde omstandigheden na de conclusie bekend worden bij de IND, kan ook dan overgegaan worden tot weigering. Gewijzigde omstandigheden van de vreemdeling die ertoe leiden dat het niet langer mogelijk is om passende steun te verlenen bij aankomst in Nederland kunnen leiden tot stopzetting of weigering van de toelatingsprocedure. Wanneer relevante informatie ten aanzien van de toelatingsprocedure op een later moment bekend wordt, met name wanneer de vreemdeling dit heeft achtergehouden, kan de toelatingsprocedure ook stopgezet of geweigerd worden, overeenkomstig artikel 6 Hervestigingsverordening.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De vreemdeling, en indien van toepassing, diens gelijktijdig voor hervestiging geaccepteerde familieleden, melden zich na aankomst in Nederland bij de IND voor de formele indiening van de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling zal daarbij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29 of artikel 29a Vw. De familieleden, indien zij zelf niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 of artikel 29a Vw, zullen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29b Vw. Hiermee is de toelatingsprocedure in het kader van de Hervestigingsverordening geëindigd.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De intrekkingsgronden van de artikelen 14 en 19 Kwalificatieverordening zijn ook van toepassing op een vreemdeling die in het kader van hervestiging een verblijfsvergunning asiel voor Nederland heeft ontvangen. Indien de omstandigheid zich voordoet als bedoeld in artikel 11, eerste lid en artikel 16, derde lid van de Kwalificatieverordening trekt de IND de verblijfsvergunning asiel niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfstitel niet af van een hervestigde vreemdeling, als de verleningsgrond is komen te vervallen vanwege een wijziging in de algemene situatie in het land van herkomst of het land waar hij zijn gewone verblijfplaats had.
Als de hervestigde vreemdeling vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst, beoordeelt de IND de gevolgen voor de verblijfsvergunning asiel van een hervestigde vreemdeling vanwege deze vrijwillige terugkeer aan de hand van paragraaf C3/3.5 Vc.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Artikel C2
Specifieke procedures
Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (C)· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026
Verwijzingen
- artikel 6
- artikel 35
- artikel 30
- artikel 43
- artikel 7
- artikel 5
- artikel 26
- artikel 6
- artikel 16
- artikel 2
- artikel 34
- artikel 6
- artikel 34
- artikel 6
- artikel 3
- artikel 25
- artikel 59b
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 7
- artikel 30
- artikel 26
- artikel 42
- artikel 6
- artikel 43
- artikel 34
- artikel 35
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 25
- artikel 3
- artikel 42
- artikel 6a
- artikel 6
- artikel 8
- artikel 67
- artikel 22
- artikel 11
- artikel 82
- artikel 29a Vw
- artikel 9
- artikel 30
- artikel 18
- artikel 9
- artikel 29c
- artikel 41
- artikel 36
- artikel 5
- artikel 22
- artikel 13
- artikel 30a
- artikel 7
- artikel 16
- artikel 30c
- artikel 22
- artikel 5
- artikel 29
- artikel 69
- artikel 35
- artikel 3
- artikel 29b
- artikel 22
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 11
- artikel 29
- artikel 38
- artikel 41
- artikel 29
- artikel 59b
- artikel 5
- artikel 29
- artikel 69
- artikel 2
- artikel 43
- artikel 69
- artikel 17
- artikel 29
- artikel 3
- artikel 18
- artikel 29a Vw
- artikel 7
- artikel 29
- artikel 59
- artikel 6
- artikel 29d Vw
- artikel 42
- artikel 29a Vw
- artikel 17
- artikel 55
- artikel 17
- artikel 44a
- artikel 3
- artikel 7
- artikel 30c
- artikel 22
- artikel 29
- artikel 3
- artikel 29b Vw
- artikel 29
- Artikel 46
- artikel 7
- artikel 22