Naar hoofdinhoud

Artikel B12

De verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd

Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (B)· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 29 maart 2014

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw aanvragen. De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 20 en 21 Vw. De IND wijst een aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af wanneer deze aanvraag meer dan drie maanden voor afloop van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is ingediend. De IND maakt hierop een uitzondering als de vreemdeling op het moment van indienen van de aanvraag vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l, Vw dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De IND wijst een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af wanneer één van de in artikel 21, eerste lid, Vw genoemde gronden zich voordoet, voor zover artikel 21, tweede, derde en vierde lid, Vw en de artikelen 3.92, 3.93, 3.94, 3.95, 3.96 en 3.96a Vb hierop geen uitzondering maken. De IND wijst een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 21, eerste lid, Vw als de vreemdeling direct voorafgaande aan het nemen van het besluit vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l, Vw, dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De IND neemt aan dat sprake is van een verblijfsrecht van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder f, Vw als de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking als genoemd in artikel 3.5, tweede lid, Vb, tenzij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning onbeperkt kan worden verlengd. Als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan ter hoogte van minimaal het normbedrag voor alleenstaanden als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV, telt de IND het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van het gezinslid bij wie hij verblijft mee bij de berekening van de middelen van bestaan. In dat geval geldt het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb. Een kind dat feitelijk niet langer bij een gezinslid verblijft omdat hij buitenshuis een volledige dagopleiding volgt (al dan niet met een studiebeurs), wordt geacht nog steeds bij dit gezinslid te verblijven. De IND telt bij de in artikel 21, tweede lid, Vw genoemde periode van tien jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf, mee: de periode van het verblijf in Nederland als Nederlander; of de periode van het verblijf in Nederland als houder van een verblijfsvergunning asiel. De IND maakt gebruik van de bevoegdheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid af te wijzen, zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c en d, Vw en artikel 3.95 Vb, tenzij dit in strijd is met internationale verplichtingen. De IND maakt bij de beoordeling van een aanvraag om wedertoelating op grond van artikel 3.92 Vb gebruik van de bevoegdheid om deze aanvraag wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid af te wijzen, zoals bedoeld in artikel 3.77 en 3.78 Vb, tenzij dit in strijd is met internationale verplichtingen. Voor verplaatsing van het hoofdverblijf wordt verwezen naar paragraaf B1/6.2.1. Vc. De vrijstellingen staan genoemd in artikel 3.96a, tweede lid, Vb, met inachtneming van het gestelde in paragraaf B9/8.1.2 Vc over de inwerkingtreding van de Wi 2021. De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef. De IND ontheft de vreemdeling op grond van artikel 3.96a, derde lid, Vb van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen. De procedure hiervoor is terug te vinden in bijlage 4 van de Regeling inburgering. De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.96a, vierde lid, Vb als de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maar: de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht; of aangetoond is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan dat examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen. In dit verband wordt verwezen naar paragraaf B9/8.1.2.3 Vc. In tegenstelling tot voornoemde paragraaf past de IND de hardheidsclausule niet toe indien de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb. De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden. De vreemdeling: is meerderjarig; verbleef op het moment waarop het Nederlanderschap werd verkregen ten minste vijf aaneengesloten jaren op grond van artikel 8, aanhef en onder a, b, e, of l, Vw in Nederland; heeft het hoofdverblijf niet buiten Nederland verplaatst; en dient de aanvraag in binnen twee jaar na verlies van het Nederlanderschap op grond van: artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, RWN in het kader van de intrekkingsprocedure van het Nederlanderschap. De IND stelt als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfvergunning dat een vreemdeling gedurende de periode waarin op hem de verplichting rustte om afstand te doen van zijn oorspronkelijke (niet-Nederlandse) nationaliteit, door het afleggen van een verklaring afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit. Deze afstandsverplichting volgt uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN; of artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN. De IND wijst deze aanvraag niet af als de vreemdeling: op het moment waarop de aanvraag is ontvangen niet gedurende een periode van vijf jaren aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8, aanhef en onder a, c, e of l, Vw; of niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.92, eerste lid, Vb. Voorheen par. 2.7.3. De IND verleent een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan de vreemdeling als bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, Vb als geen van de gronden van artikel 21 Vw zich voordoet en met inachtneming van artikel 3.93, tweede, derde en vierde lid, Vb. De IND verleent een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan het afhankelijk gezinslid van een ex-geprivilegieerde als geen van de gronden van artikel 21 Vw zich voordoet en wordt voldaan aan artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder c, Vb, artikel 3.93, derde lid, Vb en artikel 3.96a Vb. Ten aanzien van de in artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, Vb genoemde vreemdelingen geldt het volgende: het is niet van belang of de bijzondere geprivilegieerde status al dan niet door eigen toedoen verloren is gegaan; er moet sprake zijn van een aaneengesloten periode van tien jaar direct voorafgaande aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Een aaneengesloten periode van tien jaar wordt niet aangenomen als de vreemdeling in deze periode zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven; en in aanvulling op artikel 3.93, tweede lid, Vb beschikt het afhankelijk gezinslid duurzaam over voldoende middelen van bestaan als de referent duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in als zich een omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 22, eerste lid, Vw en als de artikelen 3.97 en 3.98 Vb hierop geen uitzondering maken. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Paragraaf B9/20.1 Vc is van toepassing. De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de ex-geprivilegieerde tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven: een verklaring van het Ministerie van BuZa waaruit blijkt dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag tien jaar aaneengesloten verblijf in Nederland heeft gehad op basis van een geprivilegieerde status; of het door het Ministerie van BuZa afgegeven verblijfsdocument. De IND beschouwt een verklaring van het Ministerie van BuZa waaruit blijkt dat de vreemdeling tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling die gedurende deze periode in Nederland heeft verbleven op grond van een geprivilegieerde status als bewijsmiddel dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder c, Vb. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit een familierechtelijke relatie moet blijken: een huwelijksakte in het geval dat het afhankelijke gezinslid de echtgeno(o)t(e) is van de ex-geprivilegieerde; een geboorteakte in het geval dat het afhankelijke gezinslid het kind is van de ex-geprivilegieerde; of bescheiden met betrekking tot het partnerschap in het geval dat het afhankelijke gezinslid de partner is van de ex-geprivilegieerde. Als het afhankelijke gezinslid van de ex-geprivilegieerde niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, dan beschouwt de IND een verklaring van de ex-geprivilegieerde waaruit blijkt dat het afhankelijke gezinslid kan beschikken over het inkomen als bewijsmiddel dat het afhankelijke gezinslid zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel