In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor het volgen van een opleiding aan een onderwijsinstelling voor:
hoger onderwijs;
middelbaar beroepsonderwijs; of
voortgezet onderwijs.
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het Vb en VV:
artikel 3.3, 3.41, 3.87a, 3.91b en 4.47 Vb;
artikelen 3.21, 3.22, 3.23, 4.20 en 4.24 VV.
De beleidsregels over mobiliteit binnen de Europese Unie van studenten zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 8 en 12 uit de Vw.
De IND verstaat onder geaccrediteerd onderwijs in de zin van artikel 3.41 Vb onderwijs conform artikel 6.2 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs.
Binnen deze vorm van mobiliteit voor studenten is een onderscheid te maken tussen:
Uitgaande mobiliteit, waarbij de IND aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Studie’ heeft verleend en Nederland de eerste lidstaat is; of
Inkomende mobiliteit, zoals bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, Vb, waarbij aan de vreemdeling een verblijfsvergunning voor studie is verleend door een andere lidstaat binnen de Europese Unie en Nederland de tweede lidstaat is.
Bij mobiliteit voor studenten moet altijd sprake zijn van een EU-programma of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs op grond waarvan de vreemdeling voor de duur van maximaal 360 dagen per tweede lidstaat of lidstaten mag verblijven zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid van richtlijn (EU) 2016/801.
De erkende referent is verplicht om, indien de vreemdeling in het bezit is van een door de IND afgegeven verblijfsvergunning regulier voor studie en hij een deel van het onderwijsprogramma gaat volgen in één of meerdere tweede lidstaten, uiterlijk vier weken voor aanvang van de uitgaande mobiliteit alle volgende informatie te melden bij de IND:
De verwachte duur van de mobiliteit met de verwachte begin- en einddatum;
In welke tweede lidstaat of lidstaten de vreemdeling een deel van het onderwijsprogramma gaat volgen;
Of de vreemdeling aansluitend terugkeert naar Nederland als eerste lidstaat en zo ja, wanneer hij verwacht terug te keren; en
Van welk EU-programma of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs de vreemdeling gebruik maakt.
De IND verschaft na ontvangst van een kennisgeving, als bedoeld in artikel 4.47, eerste lid, Vb respectievelijk artikel 4.47 vierde lid, Vb, desgevraagd een verblijfssticker waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, als aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit is voldaan:
De vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning met de vermelding van het verblijfsdoel studie, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van Ierland en Denemarken. Als die lidstaat geen verblijfsvergunning verleent met het verblijfsdoel studie, dan is het aan de vreemdeling om aan te tonen, dat hij een verblijfsrecht in het kader van studie heeft;
Het verblijf van de vreemdeling in Nederland valt onder een EU-programma of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs;
De kennisgeving is voorzien van alle relevante stukken als genoemd in paragraaf B3/5 Vc ingediend door een hiertoe gemachtigde erkende onderwijsinstelling in Nederland of de vreemdeling zelf;
De mobiliteit is voor de duur van maximaal 360 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat;
De vreemdeling gaat een deel van de studie in Nederland volgen aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderwijsinstelling; en
Er zijn geen bewijzen of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen als bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, Vb.
Indien niet langer aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit wordt voldaan, maakt de IND bij de gemachtigde onderwijsinstelling en/of de vreemdeling kenbaar dat het verblijfsrecht in kader van de inkomende mobiliteit is geëindigd. Hierop is artikel 62a, derde lid, Vw van toepassing.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het volgen van middelbaar beroepsonderwijs of voortgezet onderwijs in ieder geval af op grond van artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als de vreemdeling de opleiding of een soortgelijke opleiding in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan volgen.
Voor zover de vreemdeling de opleiding of een soortgelijke opleiding niet in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan volgen, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van artikel 3.41, eerst lid, aanhef en onder b, Vb als niet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
de vreemdeling is afkomstig uit en heeft de nationaliteit van Suriname, Indonesië of Zuid-Afrika;
de vreemdeling heeft familiebanden met rechtmatig in Nederland verblijvende personen; of
de vreemdeling is de Nederlandse taal machtig.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als de opleiding niet van wezenlijke betekenis is voor de arbeidsmarkt van het herkomstland of land van bestendig verblijf.
De IND neemt aan dat aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb in ieder geval wordt voldaan als de vreemdeling:
in het bezit is van een verblijfsdocument voor geprivilegieerden verstrekt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
op het moment van indienen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een opleiding in Nederland volgt en deze hier te lande wil afronden; en
deze opleiding volgt aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderwijsinstelling.
De IND neemt aan dat aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb in ieder geval wordt voldaan als de vreemdeling:
de opleiding gaat volgen aan een onderwijsinstelling die voldoet aan de in artikel 1.9 VV genoemde voorwaarden; en
het Internationaal Baccalaureaat Diploma Programma volgt.
De IND neemt aan dat aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb wordt voldaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de vreemdeling volgt (of gaat volgen) een Engelstalige opleiding aan het middelbaar beroepsonderwijs niveau 4;
de onderwijsinstelling waaraan de vreemdeling gaat studeren is aangesloten bij de Gedragscode ‘Inkomende mobiliteit mbo4’ en opgenomen in het bijbehorende register;
de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de vreemdeling valt binnen de criteria voor de pilot zoals opgenomen in artikel 8.1 van de Gedragscode ‘Inkomende mobiliteit mbo4’;
de vreemdeling is 18 jaar of ouder; en
de vreemdeling heeft een minimale score behaald van 4.5 bij het International English Language Testing System (IELTS) of heeft de vooropleiding in het Engels genoten.
In aanvulling op artikel 3.22 VV en paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb:
een inkomen uit een studiebeurs;
een inkomen uit periodieke betalingen uit sponsorgelden of anderszins; of
een bedrag dat op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland beschikbaar is.
Op grond van artikel 3.75, vierde lid, Vb en artikel 3.22 VV beschouwt de IND middelen van bestaan als duurzaam als:
deze op het tijdstip waarop de aanvraag regulier voor bepaalde tijd is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland duurt, beschikbaar zijn; of
naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom als het verblijf en de studie van de vreemdeling in Nederland met periodieke betalingen wordt bekostigd.
Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘Studie’.
De IND vermeldt op het verblijfsdocument: ‘Studie, mobiliteit cf. aanvullend document’. Als de vreemdeling gebruik gaat maken van mobiliteit binnen de EU ontvangt hij van de IND een aanvullend document waarop het onderwijsprogramma met mobiliteitsmaatregelen vermeld staat.
Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder c, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid in loondienst niet toegestaan’.
De werkgever kan pas in het bezit worden gesteld van een TWV voor een vreemdeling nadat deze in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor ‘Studie’. Een verblijfssticker in het paspoort van de vreemdeling is onvoldoende voor afgifte van de TWV.
De werkzaamheden mogen verricht worden zonder TWV als de vreemdeling:
in het bezit is van een verblijfsvergunning voor studie en arbeid als zelfstandige verricht; of
als stagiair wordt tewerkgesteld in het kader van zijn studie.
Ook de vreemdeling die in het kader van inkomende mobiliteit voor studenten in Nederland verblijft, mag werkzaamheden verrichten. Ook hier geldt dat een TWV is vereist voor arbeid van bijkomende aard en andere arbeid in loondienst niet is toegestaan. Het aantonen van het verblijfsrecht in kader van mobiliteit binnen de EU alsmede een verblijfssticker in het paspoort van de vreemdeling is voldoende voor afgifte van de TWV.
Op grond van artikel 3.7, eerste lid, onder c, Vb kan aan de afgifte van de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden worden dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten.
De vreemdeling die uitsluitend om studieredenen in Nederland verblijft, is niet verzekeringsplichtig in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw). De vreemdeling kan dan geen basisverzekering afsluiten in Nederland.
Een (buitenlandse) ziektekostenverzekering volstaat bij studie, voor zover deze voldoende dekking biedt in Nederland. Een (buitenlandse) ziektekostenverzekering waarin een uitsluitingsclausule is opgenomen voor nog niet bekende kwalen wordt niet geaccepteerd, omdat deze onvoldoende dekking biedt.
Wanneer de vreemdeling naast de studie (vrijwilligers)werk gaat verrichten (niet zijnde stage in het kader van de studie), is de vreemdeling verzekeringsplichtig in het kader van de Zvw en moet hij een basisverzekering in Nederland afsluiten.
Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de opleiding vermeerderd met in beginsel één jaar voor een voorbereidende opleiding, en drie extra maanden voor de administratieve afronding van de opleiding, met een maximum van vijf jaar. De IND verstaat onder voorbereidend onderwijs ook een schakeljaar.
De IND verleent de verblijfsvergunning in het kader van de pilot ‘Inkomende mobiliteit mbo4’ voor de duur van maximaal twaalf maanden.
Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor de resterende duur van de opleiding vermeerderd met drie maanden voor de administratieve afronding van de opleiding. Dit is niet van toepassing op de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verleend in het kader van de pilot ‘inkomende mobiliteit mbo4’.
De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verleend in het kader van de pilot ‘Inkomende mobiliteit mbo4’ niet.
Op grond van artikel 3.91b, eerste lid, aanhef en onder b, Vb trekt de IND de verblijfsvergunning in als de vreemdeling na het volgen van maximaal één jaar voorbereidend onderwijs niet is ingeschreven voor de daadwerkelijke opleiding voor het hoger onderwijs.
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling is ingeschreven aan de onderwijsinstelling binnen twee weken nadat hij rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 Vw, of het voorbereidend jaar heeft afgerond, één van de volgende bescheiden:
een voorlopig bewijs van inschrijving;
een definitief bewijs van inschrijving; of
een verklaring van de onderwijsinstelling dat de vreemdeling een uitwisselingsprogramma volgt.
De gemachtigde en krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderwijsinstelling of de vreemdeling stuurt met de kennisgeving, als bedoeld in artikel 4.47, vierde lid, Vb, de volgende bewijsmiddelen mee naar de IND:
Een ingevuld en ondertekend machtigingsformulier waarmee de vreemdeling de erkende onderwijsinstelling in Nederland machtigt;
Een verklaring van de gemachtigde onderwijsinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij mobiliteit;
Een kopie van de geldige verblijfsvergunning voor studie zoals afgegeven door de eerste lidstaat als bedoeld in paragraaf B3/2.1 Vc;
Een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding op naam van de vreemdeling; en
Een door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring.
Indien de vreemdeling geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de onderwijsinstelling te machtigen, dan is de vreemdeling zelf verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de kennisgeving voorzien van alle relevante bewijsmiddelen zoals hierboven van de gemachtigde erkende onderwijsinstelling gevraagd, met uitzondering van de verklaring van de gemachtigde onderwijsinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij mobiliteit.
In dat geval wordt van de vreemdeling gevraagd dat de kennisgeving, in aanvulling op de hierboven reeds genoemde bewijsmiddelen, vergezeld gaat van:
Een bewijs van (voorlopige) inschrijving bij de onderwijsinstelling;
Een bewijs dat het verblijf van de vreemdeling in Nederland onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs valt;
Een bewijs dat de mobiliteit voor de duur van maximaal 360 dagen is en binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning past;
Een bewijs dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan zoals genoemd in paragraaf B3/2.4 Vc; en
Een bewijs dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten zoals genoemd in paragraaf B3/3 Vc.
De IND staat geen mobiliteit toe aan de vreemdeling indien de kennisgeving niet is voorzien van alle relevante bewijsmiddelen gelet op de termijn van 30 dagen als bedoeld in artikel 31, zevende lid van richtlijn (EU) 2016/801.
De IND beschouwt een verklaring van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) of een verklaring van de bevoegde autoriteiten uit het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de opleiding niet in zijn land van herkomst of zijn land van bestendig verblijf kan volgen.
De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten uit het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de opleiding van de vreemdeling van betekenis is voor de arbeidsmarkt van zijn land van herkomst.
De IND beschouwt een verklaring van de onderwijsinstelling als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat:
de vreemdeling een Internationaal Baccalaureaat Diploma Programma (IBDP) opleiding volgt aan een door de Internationale baccalaureaatorganisatie (IBO) geaccrediteerde onderwijsinstelling; en
de onderwijsinstelling deel uitmaakt van een internationale organisatie waarbij een uitwisseling van leerlingen over de wereld plaatsvindt en het land van plaatsing wordt bepaald door landelijke comités van deze internationale organisatie of de onderwijsinstelling zijn leerlingen plaatst in een internaat.
De IND beschouwt een verklaring van de onderwijsinstelling als bewijsmiddel:
wanneer uit deze verklaring blijkt dat de vreemdeling het voltijds vierde studiejaar middelbaar beroepsonderwijs (inclusief de mogelijkheid tot een stage) volgt;
wanneer het onderwijs wordt gevolgd aan een onderwijsinstelling, die is opgenomen in het register van de Gedragscode middelbaar beroepsonderwijs; en
dit in overeenstemming is met de voorwaarden voor de pilot ‘Inkomende mobiliteit mbo4’.
De IND beschouwt een verklaring van IELTS als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voor het Engelstalig onderwijs minimaal een ‘score’ van 4.5 op alle onderdelen heeft behaald.
Indien de vreemdeling zijn vooropleiding heeft genoten in het Engels en is vrijgesteld van de verplichting om een taaltest af te leggen, moet dat blijken uit een verklaring van de onderwijsinstelling.
Artikel B3
Studie
Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (B)· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 23 mei 2018