In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op niet-tijdelijk humanitaire gronden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende verblijfsdoelen:
Oud-Nederlanders;
Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken;
Terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet;
Terugkeeroptie (minderjarige vreemdelingen);
Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen;
Verblijfsvergunning na eerder verblijf als minderjarige in het kader van verblijf als familie- of gezinslid;
Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid;
Na verblijf in het kader van medische behandeling;
Na verblijf als slachtoffer van mensenhandel die hiervan geen aangifte kan of wil doen;
Na verblijf als slachtoffer van (dreigend) eergerelateerd geweld of (dreigend) huiselijk geweld;
Na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel;
Na verblijf als getuige-aangever van mensenhandel;
Privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM;
Plaatsing in een pleeggezin of instelling op verzoek van een ander land op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996;
Verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel;
Verblijf als beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid
De beleidsregels zijn een nadere invulling of een uitwerking van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb.
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, Vb.
Het ‘in Nederland zijn geboren en getogen’ houdt in dat de vreemdeling in Nederland is geboren en minstens de hele basisschool in Nederland heeft doorlopen.
De IND neemt aan dat in ieder geval sprake is van bijzondere banden met Nederland als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder e, Vb als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
de vreemdeling heeft als Nederlander in Europees of Caribisch Nederland of op Aruba, Sint-Maarten of Curaçao minstens de helft van het basisonderwijs gevolgd;
de vreemdeling heeft gedurende zijn minderjarigheid een opleiding gevolgd, die meer dan in die tijd in dat land gebruikelijk was, op Nederland zelf was gericht; of
er is sprake van bijvoorbeeld een opvoeding, maatschappelijke positie en/of dienstbetrekking die op Nederland gericht zijn (zie bijvoorbeeld KNIL-militairen met pensioen en ambtenaren in Nederlandse dienst).
Voorheen par. 2.1.
Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder a, VV verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als:
de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid, Vw, met uitzondering van c en k;
de vreemdeling meerderjarig is;
de vreemdeling op het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend ten minste drie aaneengesloten jaren op grond van artikel 8, aanhef en onder a, b, e, of l, Vw in Nederland verbleef;
de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst; en
de aanvraag is ontvangen binnen twee jaar na verlies van het Nederlanderschap op grond van:
artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, RWN in het kader van de intrekkingsprocedure van het Nederlanderschap. De IND stelt als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfvergunning dat een vreemdeling gedurende de periode waarin op hem de verplichting rustte om afstand te doen van zijn oorspronkelijke (niet-Nederlandse) nationaliteit, door het afleggen van een verklaring afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit. Deze afstandsverplichting volgt uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN; of
artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of e, RWN.
De IND verleent op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder a, 3, Vb de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ als:
de vreemdeling drie jaar rechtmatig verblijf heeft gehad onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, Vb;
de vreemdeling op het moment van de indiening van de aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning voor vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, en
er geen overige gronden voor weigering zijn.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder g, Vb.
De IND beoordeelt of Nederland het meest aangewezen land is, zoals bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder f, sub 2, Vb en betrekt daarbij in ieder geval één of meer van de volgende omstandigheden:
de reden van de remigratie;
de duur van het verblijf in Nederland en in het land van herkomst;
de in Nederland en in het buitenland gevolgde schoolopleiding;
de in Nederland en in het buitenland opgedane werkervaring;
de kennis van de Nederlandse taal;
de aanwezigheid van familieleden in Nederland; en
eerdere pogingen om terug te keren naar Nederland.
Voorheen par. 4.
In de brief aan de Tweede Kamer van 29 januari 2019 (Nieuwe Balans in het Regeerakkoord, TK 2018–2019, 19 637, nr. 2459) is opgenomen dat de Definitieve Regeling per 29 januari 2019 wordt beëindigd en dat er een overgangsregeling komt voor langdurig verblijvende kinderen. Dit is de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (verder: de Afsluitingsregeling). In dit hoofdstuk wordt de beëindiging met terugwerkende kracht van de Definitieve Regeling geregeld en zijn beleidsregels opgenomen inzake deze Afsluitingsregeling.
De Definitieve Regeling, zoals voorheen opgenomen in dit hoofdstuk, wordt – met terugwerkende kracht – afgeschaft per 29 januari 2019.
De IND beoordeelt lopende procedures inzake de Definitieve Regeling aan de hand van de voorwaarden en contra-indicaties van de Afsluitingsregeling. De Afsluitingsregeling heeft immers als doel om tot een herbeoordeling te komen van de Definitieve Regeling. Ook is van belang dat in de Afsluitingsregeling, onder handhaving van de overige voorwaarden en contra-indicaties, een wijziging heeft plaatsgevonden van de contra-indicatie niet meewerken aan vertrek. Deze contra-indicatie wordt vervangen door de contra-indicatie niet beschikbaar zijn voor vertrek. Deze aanpassing geldt als gunstiger recht in de zin van artikel 3.103 Vb en wordt bij de beoordeling van alle lopende procedures betrokken, inclusief (hoger) beroepsprocedures.
De IND verleent de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder b, VV.
De IND beoordeelt de Afsluitingsregeling op basis van:
alle lopende procedures inzake de Definitieve Regeling, waaronder (hoger) beroepsprocedures. De vreemdeling hoeft in dat geval geen nieuwe aanvraag in te dienen;
ambtshalve herbeoordeling van aanvragen op grond van de Definitieve Regeling, indien de eerdere afwijzing op grond van enkel het meewerkcriterium in rechte onaantastbaar is geworden. In paragraaf B9/6.4 Vc is geregeld onder welke voorwaarden en op welke van twee manieren vreemdelingen voor herbeoordeling in aanmerking kunnen komen;
aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling, ingediend na 29 januari 2019 en uiterlijk binnen twee weken na inwerkingtreding van deze regeling, overeenkomstig paragraaf B9/6.8 Vc. De IND merkt vóór de inwerkingtreding van dit WBV ingediende aanvragen, waarin een beroep wordt gedaan op (de strekking van) eerdergenoemde Kamerbrief van 29 januari 2019, aan als aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling. Vreemdelingen hoeven in dat geval niet opnieuw een schriftelijke aanvraag in te dienen.
Vreemdelingen die buiten deze termijn een aanvraag indienen, kunnen zich niet beroepen op de Afsluitingsregeling.
Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, gelden de bepalingen van hoofdstuk B1 onverkort.
De IND gaat onder de hieronder genoemde voorwaarden over tot ambtshalve herbeoordeling van aanvragen op grond van de Definitieve Regeling als de eerdere aanvraag enkel op grond van het meewerkcriterium is afgewezen.
Uit de uitwerking hieronder volgt dat herbeoordeling op twee manieren kan plaatsvinden:
volledig ambtshalve door de IND en zonder dat de vreemdeling daartoe enige handeling hoeft te verrichten;
op basis van een signaal van de vreemdeling binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling.
Ambtshalve herbeoordeling vindt voor de eerste groep plaats zonder dat de vreemdeling daartoe enige handeling hoeft te verrichten. Dat geldt voor vreemdelingen waarvan op voorhand met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat zij op 29 januari 2019 in Nederland verbleven. Tevens bestaat er bij die groep voldoende zekerheid omtrent het adres waar deze vreemdelingen verblijven en hun actuele gezinssamenstelling.
De IND gaat ten aanzien van de hiervoor bedoelde groep over tot ambtshalve herbeoordeling indien:
de vreemdeling reeds eerder een aanvraag op grond van de Definitieve Regeling heeft ingediend en er tegen de afwijzing van die aanvraag geen procedure meer loopt;
er in die eerdere beoordeling van de Definitieve Regeling geen andere contra-indicaties of afwijzingsgronden dan het meewerkcriterium zijn tegengeworpen;
de vreemdeling op 29 januari 2019 in een opvangvoorziening van het COA verbleef dan wel onder toezicht van het NIDOS stond.
Ad c) Onder opvangvoorzieningen van het COA vallen ook de gezinslocaties (GL) en de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL). De gemeentelijke noodopvang waaronder de zogenoemde bed, bad en brood locaties vallen hier niet onder.
In afwijking van vorenstaande vindt deze herbeoordeling niet plaats als zich een van de volgende in paragraaf B9/6.6 Vc opgenomen contra-indicaties voordoet:
de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning, behoudens de verblijfsvergunningen die in paragraaf B9/6.6 onder b Vc zijn uitgezonderd;
de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten (paragraaf B9/6.6, onder f Vc).
Voor vreemdelingen is het kenbaar of zij op grond van vorenstaande bepalingen voor ambtshalve herbeoordeling in aanmerking komen. Dat is immers gebaseerd op objectieve en voor de vreemdeling kenbare uitgangspunten.
De tweede groep die voor herbeoordeling in aanmerking komt, met toepassing van dezelfde contra-indicaties, betreft vreemdelingen die:
reeds op 29 januari 2019 in Nederland verbleven (paragraaf B9/6.5 Vc);
voldoen aan de hierboven onder a) en b) genoemde voorwaarden;
niet reeds op grond van punt c) hierboven zullen worden herbeoordeeld; en
binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling kenbaar maken dat zij voor herbeoordeling in aanmerking wensen te komen. Zij dienen hiervoor een beroep te doen op de Afsluitingsregeling middels het op de website (www.ind.nl) opgenomen aanvraagformulier Afsluitingsregeling. Reeds ingediende aanvragen of verzoeken om herbeoordeling hoeven niet opnieuw middels dit aanvraagformulier te worden ingediend.
De daadwerkelijke herbeoordeling vindt plaats aan de hand van alle voorwaarden (paragraaf B9/6.5 Vc) en contra-indicaties (paragraaf B9/6.6 Vc). Mocht eerst bij de herbeoordeling blijken dat er sprake is van een van de twee hierboven genoemde contra-indicaties, dan worden die bij de beoordeling onverkort tegengeworpen.
Herbeoordeling vindt plaats door op grond van artikel 3.6b Vb een ambtshalve beschikking te nemen. Alvorens een inwilligend ambtshalve besluit te nemen, stelt de IND de vreemdeling in staat te voldoen aan de voorwaarde dat alle lopende procedures worden ingetrokken. Tevens kunnen daarbij nadere gegevens worden verlangd voor de afgifte van een verblijfsdocument of anderszins.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening (paragraaf B9/6.5 Vc), dan wel indien er sprake is van contra-indicaties (paragraaf B9/6.6 Vc), weigert de IND bij ambtshalve beschikking een vergunning op grond van de Afsluitingsregeling te verlenen. Tegen deze beschikking kan bezwaar worden gemaakt.
De IND beoordeelt in alle gevallen of de vreemdeling zich op de peildatum van 29 januari 2019 in Nederland bevond. De IND verleent geen verblijfsvergunning aan vreemdelingen die zich op de peildatum niet in Nederland bevonden.
De IND neemt verblijf op de peildatum in beginsel aan indien de vreemdeling op die datum dan wel op enig moment in de periode van uiterlijk drie maanden daarvoor bekend was bij de IND, DTenV, COA, of AVIM. De IND beoordeelt dat overeenkomstig de voorwaarde als bedoeld onder paragraaf B9/6.5, onder c, Vc.
De IND neemt – in uitzondering op vorenstaande – niet aan dat er sprake was van verblijf in Nederland als er concrete indicaties zijn dat de vreemdeling op de peildatum buiten Nederland verbleef. Een concrete indicatie doet zich in ieder geval voor bij aantoonbaar vertrek uit Nederland en waarbij er nadien niet is gebleken dat de vreemdeling weer is teruggekeerd.
De IND neemt ook aan dat er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum als op basis van bij de IND bekende gegevens buiten twijfel is dat de vreemdeling op de peildatum in Nederland verbleef.
De IND beoordeelt aan de hand van bij de IND de bekende gegevens of er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum. Indien de IND daartoe aanvullende gegevens verlangt, wordt de vreemdeling hiertoe in de gelegenheid gesteld.
Deze voorwaarde laat onveranderd dat een vergunning tevens kan worden geweigerd wegens verblijf buiten de Europese Unie, voor zover paragraaf B9/6.6, onder f, Vc van toepassing is.
De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:
die jonger is dan 19 jaar op het moment van de oorspronkelijke aanvraag, dan wel op enig moment tussen 1 februari 2013 en 29 januari 2019;
die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;
die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DTenV, COA of AVIM (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én
die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van deze Afsluitingsregeling.
De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.
Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling sinds dat moment ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/6.2.1 Vc (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.
De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht als de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:
sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DTenV, COA, of AVIM (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen voogdijinstelling Nidos; en
niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest.
Als sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.
De IND beoordeelt in het kader van ambtshalve herbeoordeling niet opnieuw of aan deze voorwaarde is voldaan.
De IND beoordeelt in het geval van een ingediende aanvraag of de vreemdeling in de periode vanaf zijn eerste asielaanvraag (maar niet eerder dan 27 juni 2010) tot aan de peildatum van 29 januari 2019 aan deze voorwaarde voldeed.
Als de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling of het gezinslid overneemt, bijvoorbeeld ingevolge de Asiel- en migratiebeheerverordening, dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.
Als de gezinsband is verbroken, wordt dit uitsluitend aan het betreffende gezinslid tegengeworpen.
De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op de peildatum van 29 januari 2019 deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij op het moment van beoordeling de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.
De IND beoordeelt de aanspraken op de Afsluitingsregeling in de context van het gezin. Dat betekent dat een afwijzingsgrond of een contra-indicatie voor één van de gezinsleden er toe leidt dat het hele gezin niet in aanmerking komt voor verblijf, tenzij bij het betreffende criterium van dat uitgangspunt wordt afgeweken.
De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B7.
Onder gezinsleden verstaat de IND:
ouders;
minderjarige broer(s)of zus(sen) die minderjarig waren op de peildatum;
meerderjarige broer(s)of zus(sen) die op de peildatum nog onderdeel vormen van het gezin.
En als de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:
de vreemdeling van achttien jaar of ouder die op de peildatum een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de hoofdpersoon of die met hem een naar Nederlands recht, waaronder het in Nederland toe te passen internationaal privaatrecht, geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan; of
het minderjarige kind van wie de hoofdpersoon de biologische of juridische ouder is, mits er op de peildatum feitelijke invulling aan het gezinsleven wordt gegeven.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid op het moment van de beoordeling sprake is van de volgende contra-indicaties:
de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid;
de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning;
de vreemdeling is onderdaan van een lidstaat van de EU;
de vreemdeling heeft de identiteit of nationaliteit niet kunnen aantonen door onder meer het overleggen van documenten of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden;
de vreemdeling is niet beschikbaar geweest in het kader van vertrek; of
de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten.
De IND verleent de verblijfsvergunning niet als de vreemdeling of één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval als:
wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf(fen) of maatregel(en) in totaal ten minste één maand bedraagt; of
bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.
Als bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.
Deze contra-indicatie leidt niet tot weigering van de verblijfsvergunning indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met:
medische behandeling (artikel 3.4, onder p, Vb);
tijdelijke humanitaire gronden (artikel 3.4, onder q, Vb); of
studie (artikel 3.4, eerste lid onder m, Vb).
Als een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.
Als de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 onder j, Vw (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen.
De vreemdeling moet bij zijn asielaanvraag in beginsel zijn identiteit aantonen met documenten. Daarnaast moet hij in de eerste asielprocedure consistent en naar waarheid verklaard hebben over zijn identiteit en nationaliteit. Als de vreemdeling zijn identiteit niet kan aantonen met documenten maar wel consistent en naar waarheid heeft verklaard, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen. Indien na de beoordeling van de oorspronkelijke aanvraag andere identiteitsgegevens bekend zijn geworden, wordt beoordeeld of deze contra-indicatie alsnog aan de vreemdeling wordt tegengeworpen.
Indien de vreemdeling of een gezinslid zich na vergunningverlening in de BRP inschrijft met een andere identiteit of nationaliteit, dan trekt de IND de vergunning in.
De IND neemt aan dat de vreemdeling beschikbaar is geweest voor vertrek aan de hand van de volgende uitgangspunten.
De toetsperiode is overeenkomstig de relevante toetsperiode van de voorwaarde niet onttrekken aan het toezicht, zoals bedoeld in paragraaf B9/6.5, onder c Vc.
De vreemdeling is in ieder geval beschikbaar geweest voor vertrek, indien de daadwerkelijke verblijfplaats van de vreemdeling bekend was bij de IND, DTenV, COA of AVIM, tenzij de vreemdeling op enig moment met onbekende bestemming is vertrokken. Het vertrek met onbekende bestemming wordt niet tegengeworpen indien de vreemdeling binnen drie maanden weer in beeld is gekomen (paragraaf B9/6.5, onder c Vc).
De daadwerkelijke verblijfsplaats is in ieder geval bekend als de vreemdeling verbleef in een opvanglocatie bij wege van de Rijksoverheid (zie paragraaf B9/6.4, onder c Vc).
Vertrek met onbekende bestemming kan onder meer aan de hand van een model M-100 worden vastgesteld. De vreemdeling heeft de opvanglocatie niet uit eigen beweging verlaten in het geval van vertrek naar aanleiding van een (voorgenomen) ontruiming van de opvanglocatie.
De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.
De IND werpt aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie altijd tegen ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.
In het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.
Daarbuiten wordt deze contra-indicatie uitsluitend niet tegengeworpen, indien de vreemdeling na terugkeer opnieuw een asielaanvraag indient en hij nadien vijf jaar in Nederland verblijft overeenkomstig paragraaf B9/6.5, onder b Vc.
Als de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden.
Voor het indienen van de aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling zijn overeenkomstig artikel 3.34, onder s, VV leges verschuldigd.
De IND verleent vrijstelling van het paspoortvereiste en de inkomenseis. In aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1 Vc merkt de IND de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1 Vc, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid onder a, Vw.
Het ambtshalve herbeoordelingsbesluit wordt schriftelijk bekend gemaakt door toezending er van aan het (laatst bekende) adres de vreemdeling.
Vreemdelingen die wegens het voldoen aan de voorwaarden een beroep op de Afsluitingsregeling willen doen, moeten hiertoe tijdig schriftelijk een aanvraag indienen.
Een aanvraag is tijdig ingediend indien de vreemdeling binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling een schriftelijke aanvraag heeft ingediend.
Er kan daartoe gebruik worden gemaakt van het op de website van de IND (www.ind.nl) opgenomen aanvraagformulier Afsluitingsregeling. Op de website is opgenomen op welke wijze de aanvraag kan worden ingediend.
Ook aanvragen die niet middels dit aanvraagformulier zijn ingediend en waarin een beroep wordt gedaan op de afschaffing van de Definitieve Regeling dan wel de kamerbrief van 29 januari 2019, worden aangemerkt als aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling.
De IND nodigt de vreemdeling vervolgens op grond van artikel 3.99, tweede lid, onder a, Vb uit om in persoon aan het loket te verschijnen.
Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken.
De IND verleent de verblijfsvergunning met ingang van:
29 januari 2019, voor zover de verblijfsvergunning ambtshalve op basis van een herbeoordeling wordt verleend;
de datum waarop de aanvraag is ontvangen indien er geen sprake is van een herbeoordeling maar van een ingediende aanvraag. De verblijfsvergunning wordt niet verleend met een eerdere datum dan 29 januari 2019.
De IND verleent de verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb ook aan de vreemdeling die:
in het jaar na zijn verblijfsaanvaarding in het kader van verblijf als familie- of gezinslid meerderjarig is geworden; of
nog feitelijk bij zijn ouder(s) woont en van wie de gezinsband niet is verbroken en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.50 Vb.
Voorheen par. 6.
Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, als:
gedurende vijf jaren geen grond is geweest voor intrekking van de verblijfsvergunning;
de vreemdeling het inburgeringsexamen heeft behaald of ingevolge artikel 3.80a Vb hiervan is vrijgesteld of ontheven; en
de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid, Vw, met uitzondering van de subcategorieën b, c en k.
Op grond van artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, als:
de vreemdeling het inburgeringsexamen heeft behaald of ingevolge artikel 3.80a Vb hiervan is vrijgesteld of ontheven; en
de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid Vw, met uitzondering van de subcategorieën c en k.
De IND werpt een verblijfsgat niet tegen als voldaan wordt aan alle hierna genoemde voorwaarden:
het verblijfsgat is ontstaan doordat de vreemdeling de verlengingsaanvraag niet-tijdig heeft ingediend;
de vreemdeling heeft de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend binnen de redelijke termijn van twee jaar (zie paragraaf B1/6.1 Vc); en
de vreemdeling heeft gedurende vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden, onafgebroken voldaan aan de inhoudelijke voorwaarden van de oorspronkelijk aan hem verleende verblijfsvergunning.
De IND past de vrijstellingen toe genoemd in artikel 3.80a, tweede lid, Vb.
De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef.
Op 1 januari 2022 is de Wi 2021 in werking getreden. Deze heeft als doel alle nieuwe inwoners van Nederland met een inburgeringsplicht zo snel mogelijk Nederlands te leren spreken en schrijven op het voor hen hoogst haalbare niveau, zodat zij zo goed mogelijk mee kunnen draaien in de Nederlandse samenleving.
De inburgeringseisen van de Wi 2013, inclusief vrijstellingen en ontheffingen, werken door naar de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit voor vreemdelingen die op tijdelijke basis in Nederland verblijven en op enig moment sterker verblijf aanvragen. Deze doorwerking van de Wi 2013 blijft ook gelden na 1 januari 2022 voor:
niet-inburgeringsplichtige vreemdelingen; en
inburgeringsplichtige vreemdelingen, die voor 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden.
Verder werkt ook de ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege ‘aantoonbaar geleverde inspanningen’ als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder b, Wet inburgering 2007 door naar de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit.
Inburgeringsplichtige vreemdelingen die onder de Wi 2021 vallen en onder dat regime hun inburgeringsplicht vervullen of daarvan worden vrijgesteld, of ontheven, op basis van hun inburgeringsdiploma, -certificaat, vrijstelling of ontheffing voldoen hiermee tevens aan het inburgeringsvereiste en kunnen op basis hiervan ook sterker verblijf aanvragen. De doorwerking van het inburgeringsregime blijft derhalve gehandhaafd.
De grondslag voor het stellen van het inburgeringsvereiste voor sterk verblijf is te vinden in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit (art 16a Vw jo. art 3.80a Vb; art 21 Vw jo. art 3.96a Vb en art 45b Vw jo 3.126 Vb).
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND ontheft de vreemdeling op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen. De procedure hiervoor is terug te vinden in bijlage 4 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022.
De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb als de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maar:
de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht; of
aangetoond is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan het examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen.
Daarnaast ontheft de IND de vreemdeling van het inburgeringsvereiste bij een aanvraag voor een sterker verblijfsrecht, als de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.
De IND past in het geval het inburgeringsexamen niet is behaald in ieder geval de hardheidclausule toe, bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb, op grond van het feit dat de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht, als:
de vreemdeling ten minste driemaal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen, waarvan ten hoogste twee van de examenpogingen de overeenkomstige onderdelen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal betreffen, en ten minste 600 uur bij een cursusinstelling met het Blik op Werk-keurmerk heeft deelgenomen aan:
een inburgeringscursus;
een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, waarbij ten minste 200 uur besteed is aan de inburgeringscursus;
een cursus Nederlands als tweede taal; of
een combinatie van een inburgeringscursus en een cursus Nederlands als tweede taal.
de vreemdeling minimaal 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een cursusinstelling met het Blik op Werk Keurmerk en de vreemdeling aangetoond heeft met een door DUO afgenomen toets naar het leervermogen dat de vreemdeling niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of
de vreemdeling ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, beide aan een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, waarvan ten minste 300 uur besteed is aan de alfabetiseringscursus, en uit een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen.
DUO geeft advies of iemand voldoet aan de criteria genoemd onder a, b en c. De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van het door de vreemdeling overgelegde advies van DUO. De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet het advies zelf aanvragen bij DUO. Voor het aanmeldformulier en meer informatie over deze procedure raadpleeg de website van DUO www.inburgeren.nl.
Tot 1 juli 2013 kon een vreemdeling zich wenden tot het ROC Amsterdam voor een advies op basis van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek. Adviezen die bij het ROC zijn aangevraagd vóór 1 juli 2013 zullen nog worden meegenomen door de IND bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing.
De IND neemt het ROC-advies niet over als:
dit advies op de dag van de indiening van de aanvraag ouder is dan vijf jaar;
de IND constateert dat de vreemdeling in een vreemdelingenrechtelijke procedure verklaringen heeft afgelegd die in tegenspraak zijn met het advies; of
op een andere manier dan uit een vreemdelingenrechtelijke procedure blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond.
De IND past in het geval het inburgeringsexamen niet is behaald de hardheidsclausule toe, bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb, als blijkt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan dat examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen.
De IND betrekt in de beoordeling van de bijzondere individuele omstandigheden:
de door de vreemdeling getoonde wil om voor het inburgeringsexamen te slagen; en
de door de vreemdeling geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het inburgeringsexamen.
De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden onder meer (een combinatie van) de volgende aangevoerde aspecten:
leeftijd van de vreemdeling;
opleidingsniveau van de vreemdeling;
de financiële situatie van de vreemdeling; of
de gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden van de vreemdeling.
De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden in ieder geval niet de stelling dat de vreemdeling:
geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening heeft gekregen;
geen inburgeringsvoorziening heeft opgelegd gekregen;
geen aanbod tot een taalkennisvoorziening heeft gekregen;
geen taalkennisvoorziening heeft opgelegd gekregen; of
nooit heeft geweten dat hij het inburgeringsexamen moet behalen.
De IND past eveneens de hardheidsclausule toe indien de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb.
De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste bij een aanvraag voor een sterker verblijfsrecht indien de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd, als bedoeld in artikel 3.80a en 3.96a Vb. Onder aantoonbaar voldoende ingeburgerde vreemdelingen worden vreemdelingen bedoeld, die:
ten minste tien jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven zijn geweest;
gedurende ten minste vijf jaar betaald werk of vrijwilligerswerk hebben verricht in Nederland; en
de vaardigheden in de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 2.9, onderdelen a en b, van het Besluit inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022, beheersen op het in dat artikel bedoelde niveau.
De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet hiervoor een advies aanvragen bij DUO en deze meesturen bij de aanvraag voor een sterker verblijf. De IND gaat bij de beoordeling van de ontheffingsgrond in beginsel uit van het door de vreemdeling overgelegde advies van DUO. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van DUO.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning uitsluitend als de vreemdeling naast de in paragraaf B9/8.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan alle volgende voorwaarden:
de vreemdeling is een huwelijk, geregistreerd partnerschap of duurzame en exclusieve relatie aangegaan met een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft; en
de (huwelijks)relatie bestaat vijf jaren (of heeft vijf jaren bestaan) en de vreemdeling heeft ten minste vijf jaren op grond van die (huwelijks)relatie een verblijfsvergunning gehad.
Op grond van artikel 3.51, negende lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is als:
aan hem de in artikel 3.31b Vb bedoelde vergunning is verleend (zie B11) en hij uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning verstrijkt, beschikt over een arbeidsplaats voor nog een jaar waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan als bedoeld in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb verwerft; of
hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning alleen als de vreemdeling naast de in paragraaf B9/ 8.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij vijf jaren in het kader van verruimde gezinshereniging een verblijfsvergunning heeft voor verblijf bij een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft.
De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, Vb af als de vreemdeling verblijf heeft gekregen op grond van het beleid voor gezinshereniging van een alleenstaande vreemdeling van 65 jaar of ouder met zijn kind.
De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, Vb niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, Vw.
Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder l, VV verleent de IND een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ alleen aan de vreemdeling die aan de volgende voorwaarden voldoet:
de hoofdpersoon bij wie verblijf is verleend, is op grond van artikel 3.51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede, of artikel 3.51, eerste lid, onderdeel b, Vb, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ na:
drie jaar als houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’; of
twee jaar als houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ die verleend is direct nadat zijn uitzetting uit Nederland op grond van artikel 64 Vw gedurende ten minste een jaar achterwege was gebleven; en
de vreemdeling heeft gedurende de gehele periode voldaan aan alle voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning;
de vreemdeling voldoet, op het moment waarop hij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ indient, aan alle voorwaarden voor verlenging van de oorspronkelijke verblijfsvergunning;
de vreemdeling dient tegelijkertijd met, of op een latere datum dan de hoofdpersoon een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’; en
de vreemdeling voldoet aan de algemene verblijfsvoorwaarden genoemd in artikel 16 Vw. De vreemdeling hoeft niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan of een verklaring van een referent (als gevolg van art. 3.51, vierde lid, Vb).
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder c, VV als:
de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb of artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb; en
de vreemdeling heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. Voor een uitwerking van de bijzondere individuele omstandigheden die een rol in dit kader kunnen spelen zoekt de IND aansluiting bij de bijzondere omstandigheden genoemd in paragraaf B9/11 Vc.
In aanvulling op de in artikel 3.51 Vb, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen als het gezinslid, naast de in paragraaf B9/8.1 genoemde voorwaarden, ook voldoet aan de volgende voorwaarde:
het gezinslid heeft twee jaren voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Deze voorwaarde geldt ook in aanvulling op artikel 3.51, vierde lid, aanhef en onder a en b, Vb voor de gezinsleden van een langdurig ingezetene met de aantekening ‘voormalig houder van een Europese blauwe kaart’.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede, en artikel 3.51, eerste lid, onderdeel b, Vb, uitsluitend als de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:
de vreemdeling is ten minste drie jaar direct voorafgaand aan de aanvraag houder geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling; of
de vreemdeling is direct nadat zijn uitzetting op grond van artikel 64 Vw gedurende ten minste een jaar achterwege is gebleven, ten minste twee jaar direct voorafgaand aan de aanvraag houder geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling; en
de medische behandeling is voor ten minste nog één jaar noodzakelijk; en
de vreemdeling heeft gedurende de gehele periode voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling; en
de vreemdeling voldoet op het moment waarop hij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden indient, nog steeds aan alle voorwaarden voor verlenging van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. De vreemdeling hoeft niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Voorheen par. 8.
De IND verleent een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder d, VV, als:
het slachtoffer aantoont dat de dreiging op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend voortduurt, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces; of
uit recente medische informatie blijkt dat een fysieke of psychische aandoening het slachtoffer (nog steeds) in de weg staat om medewerking te verlenen aan het strafproces; of
het slachtoffer op het moment van de aanvraag minderjarig is en uit een recente verklaring van de politie of KMar blijkt dat van de vreemdeling (nog steeds) niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met diens minderjarigheid.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder d, VV, als:
de vreemdeling ten minste één jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel die hiervan om zwaarwegende redenen geen aangifte kan of wil doen of anderszins geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar; en
geen sprake meer is van een ernstige bedreiging, een fysieke of psychische beperking of minderjarigheid, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces; en
er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard, die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, waardoor van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
De IND verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder i en j, Vb, als de vreemdeling aantoont dat de dreiging op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend voortduurt.
Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld geen sprake meer, dan verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder e, VV, als er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard waardoor de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen.
De IND neemt aan dat bijzondere individuele omstandigheden in ieder geval gelegen kunnen zijn in:
de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;
de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst;
de omstandigheid dat in het land van herkomst geen naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;
de zorg die de vrouw/ouder heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren en/of een opleiding volgen;
aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie; of
de banden met Nederland.
De IND houdt bij de beoordeling rekening met de situatie van vreemdelingen en hun kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten.
De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als:
sprake is van gedwongen uithuwelijking in het land van herkomst; of
de eigen familie in het land van herkomst de vrouw heeft verstoten; of
de vrouw naar het recht van het land van herkomst niet de mogelijkheid heeft te scheiden.
De IND verleent de verblijfsvergunning als de vreemdeling aantoont dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.
Bij een minderjarige vreemdeling is het in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband met de referent is verbroken.
De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als:
sprake is van in Nederland geboren kinderen, of kinderen met (ook) de Nederlandse nationaliteit; en
aannemelijk wordt gemaakt dat deze kinderen niet eenvoudig op te lossen problemen ondervinden bij toegang tot een schoolopleiding in het land van herkomst.
Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, VV verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, en b, en g, Vb, als de vreemdeling aan één van de volgende voorwaarden voldoet:
de officier van justitie besluit tot vervolging over te gaan ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan en dat heeft geleid tot verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, b, en g, Vb;
het gerechtshof heeft het beklag als bedoeld in artikel 12 WvSv ter zake van mensenhandel gegrond verklaard en het gerechtshof heeft de officier van justitie bevolen strafvervolging ter zake van mensenhandel in te stellen; of
er loopt een strafzaak en het slachtoffer verblijft drie jaar onafgebroken op basis van een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake mensenhandel in Nederland.
Een vervolgingsbeslissing is voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.
De IND kan de verblijfsvergunning zowel ambtshalve (artikel 3.6b Vb) als op aanvraag verlenen.
Als de vreemdeling geen aanvraag heeft ingediend, maar wel de beschikking van het gerechtshof heeft overlegd waarin het gerechtshof het beklag gegrond heeft verklaard, verleent de IND de verblijfsvergunning ambtshalve. De ingangsdatum van deze vergunning is de datum van de beschikking van het gerechtshof, als op die datum ook aan de overige voorwaarden voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt voldaan.
Als de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend, verleent de IND de verblijfsververgunning met als ingangsdatum de datum van de aanvraag, als op die datum aan alle voorwaarden voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt voldaan.
Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden die onder 1, 2 en 3 zijn beschreven, verleent de IND een verblijfsvergunning als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat.
De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:
risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;
risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en
de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.
Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder g, VV verleent de IND een verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder c, Vb als: de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:
risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden. Als de aangifte door de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte moet bij de beoordeling van het risico voor represailles per geval bezien worden of zwaar gewicht moet worden toegekend aan de veroordeling;
risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en
de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.
De IND verleent de verblijfsvergunning voor het uitoefenen van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder h, VV.
Volgens de jurisprudentie van het EHRM wordt het begrip privéleven gevormd door de volgende elementen:
het recht op identiteit;
het recht op persoonlijke ontwikkeling;
het recht om relaties aan te gaan met andere mensen en te ontwikkelen met andere mensen en de buitenwereld;
elementen als vereenzelviging met een bepaald geslacht, naam, seksuele oriëntatie en seksueel leven; en
geestelijke stabiliteit.
De IND betrekt bij de beoordeling van een beroep op het uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM in ieder geval:
de vraag of aan de vreemdeling in Nederland verblijf is toegestaan op grond van een verblijfsvergunning;
de verblijfsduur in Nederland; en
het totaal van de in het gastland aangegane sociale banden en de intensiteit daarvan.
De IND neemt inmenging in het privéleven aan, als de vreemdeling:
een inreisverbod is opgelegd;
met toepassing van artikel 67 Vw ongewenst is verklaard; of
in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning.
Voorheen par. 11.2.
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de IND een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe.
De IND bepaalt de uitgangspositie van de belangenafweging mede door de omstandigheid of sprake is van inmenging. Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.
Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling.
Voorheen par. 11.3.
Voorheen par. 11.
De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder i, VV, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een buitenlandse minderjarige vreemdeling, die vanuit een ander land op grond van het HKBV wordt geplaatst in een pleeggezin of in een instelling in Nederland, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
de Nederlandse Centrale autoriteit heeft een verklaring afgegeven, waarin staat dat de Nederlandse Centrale autoriteit instemt met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland (instemmingsverklaring);
de Centrale Autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling heeft het besluit genomen om in te stemmen met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of in een instelling in Nederland (instemmingsbesluit);
de Nederlandse Centrale autoriteit heeft vastgesteld dat de vreemdeling niet meer zal kunnen terugkeren naar de oorspronkelijke gezinssituatie en tot zijn 18de jaar in een pleeggezin of instelling in Nederland zal gaan verblijven;
het gezag over de vreemdeling moet door de autoriteiten van het land van herkomst zijn geregeld;
de aspirant-pleegouders hebben rechtmatig verblijf, als bedoeld artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw, of zijn Nederlander.
De IND wijst de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder i, VV niet af wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan.
Deze paragraaf bevat de beleidsregels voor vergunningverlening op niet-tijdelijke humanitaire gronden aan minderjarige vreemdelingen (en hun gezinsleden):
Als het gezag van de ouder(s) over hen is beëindigd en een voogd is benoemd (zie paragraaf B9/16.2 tot en met 16.4 Vc); dan wel
Als zij gedurende één jaar in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV (zie paragraaf B9/16.5 en 16.6 Vc).
De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een minderjarige vreemdeling als:
Het gezag van de ouder(s) over de minderjarige vreemdeling is beëindigd door de kinderrechter; én
De minderjarige vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd.
De minderjarige vreemdeling, die aan de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B9/16.2 Vc voldoet, wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule (artikel 3.71, derde lid, Vb).
De gezinsleden van de minderjarige vreemdeling, over wie het gezag van de ouders is beëindigd, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de vorenbedoelde minderjarige vreemdeling, tenzij weigering van verblijf aan de gezinsleden een schending van artikel 8 EVRM oplevert (zie paragraaf B7/3.8 Vc).
De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb en artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
De minderjarige vreemdeling is gedurende één jaar in bezit geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ̀ tijdelijke humanitaire gronden´ op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb en artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV;
Uit het advies van de DTenV blijkt dat de ondertoezichtstelling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend.
De IND wijst de aanvraag af, als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan. De IND wijst de aanvraag eveneens af, als de minderjarige vreemdeling of zijn gemachtigde niet met bescheiden heeft aangetoond welke hulpverlening hij nodig heeft, waardoor de IND geen advies kan opvragen bij de DTenV.
De IND verleent op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende gezinsleden van een onder toezicht gestelde vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van paragraaf B9/16.5 Vc:
de biologische of juridische ouder(s), als het onder toezicht gestelde kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouder(s);
de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouder(s) een verblijfsvergunning heeft verleend voor gezinsleden van de onder toezicht gestelde vreemdeling. De minderjarige broers en zussen moeten onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders staan.
De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb van de gezinsleden niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c en k, Vw.
De IND stelt gezinsleden vrij van het mvv-vereiste gelet op het bepaalde in artikel 3.71, derde lid, Vb, als zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de onder toezicht gestelde minderjarige.
Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder k, VV verleent de IND een verblijfsvergunning aan de vreemdeling als:
De vreemdeling nog immer is opgenomen in het getuigenbeschermingsprogramma van de Politie Landelijke eenheid; en
De vreemdeling nog immer voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid Vw, met uitzondering van de subcategorie c en k.
Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ’niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ met de geldigheidsduur van vijf jaar.
Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van vijf jaar.
De IND trekt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ niet in en wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking waaronder de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend. Onder de oorspronkelijke verblijfsvergunning verstaat de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die voorafging aan de verlening van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
De IND merkt de aanvraag van de afhankelijke gezinsleden van oud-Nederlanders om opnieuw te worden toegelaten tot Nederland aan als een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als:
de aanvraag tegelijk met de aanvraag van de oud-Nederlander is ontvangen binnen zes maanden nadat de militaire dienstplicht of detentie van de oud-Nederlander is beëindigd; en
de afhankelijke gezinsleden voorafgaand aan hun vertrek uit Nederland daarvan kennis hebben gegeven aan de Korpschef.
Dit geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden van Nederlanders die buiten Nederland zijn gedetineerd of hun dienstplicht vervullen.
Als de IND verblijfsrecht van de oud-Nederlander niet beëindigt, dan beëindigt de IND evenmin het verblijfsrecht van de afhankelijke gezinsleden als de afhankelijke gezinsleden niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet samenwonen met de oud- Nederlander.
De IND beschouwt het inburgeringsdiploma of bewijsstukken waaruit blijkt dat de vreemdeling is vrijgesteld of ontheven van het inburgeringsexamen als bewijsmiddel dat de vreemdeling voldoet aan het inburgeringsvereiste, met inachtneming van het gestelde in paragraaf B9/8.1.2 Vc over de inwerkingtreding van de Wi 2021.
De IND beschouwt conform het Besluit inburgering en de Wi één van onderstaande bescheiden als bewijsmiddel dat de vreemdeling is vrijgesteld van het afleggen van het inburgeringsexamen:
een op wettelijke basis uitgereikt Nederlands diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, of middelbaar beroepsonderwijs vanaf niveau 2, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal;
een met een van de hierboven genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België of Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;
een diploma, certificaat of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, ten bewijze van afronding van een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding, mits een voldoende behaald is voor het vak Nederlandse taal;
een diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Trb 1957, 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald;
het getuigschrift International Baccalaureate Middle Years certificate, International General Certificate of Secondary Education of Internationaal Baccalaureaat, als een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald;
een certificaat Naturalisatietoets zoals dit luidde voor 1 april 2007 waaruit blijkt dat aanvrager is geslaagd voor de volgende vijf onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid;
een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, wanneer uiterlijk 31 december 2006 het inburgeringstraject is afgerond, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat een profieltoets met de uitkomst voor de onderdelen ‘luisteren’ en ‘spreken’ niveau NT2-2 is behaald, voor de onderdelen ‘lezen’ en ‘schrijven’ niveau NT2-1 en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 of 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd;
een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat voor de onderdelen ‘luisteren’, ‘spreken’, ‘lezen’ en ‘schrijven’ ten minste NT2 niveau 2 is behaald en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd;
het certificaat, bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven is behaald;
het inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wi zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wi en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430);
een document ‘Korte Vrijstellingstoets’ bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Besluit inburgering zoals dat besluit luidde tot 1 januari 2013, waaruit blijkt dat aanvrager niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen heeft gehaald;
een beschikking van het College van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma in het kader van de WIN achterwege is gelaten omdat de vreemdeling als bedoeld in artikel 5, tweede lid, WIN de kennis, inzicht en vaardigheden in voldoende mate op andere wijze zou verwerven;
een beschikking van het College van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma in het kader van de WIN achterwege is gelaten omdat een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, WIN met goed gevolg is afgelegd;
een bewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling ingevolge artikel 4 Besluit Naturalisatietoets, zoals deze geldig was op 1 april 2003, is of was ontheven van de wettelijke verplichting om alle in dat artikel bedoelde toetsonderdelen af te leggen;
een brief van DUO waarin staat dat DUO vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen van de vreemdeling tot het oordeel komt dat het voor de vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 30 september 2017 inburgeringsplichtig zijn geworden);
een brief van DUO waarin staat dat de vreemdeling heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht, omdat DUO aan de vreemdeling ontheffing heeft verleend op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen en hij om deze reden de inburgeringsexamens niet hoeft te behalen, en omdat de vreemdeling het participatieverklaringstraject heeft afgerond (in geval van vreemdelingen die na 30 september 2017 inburgeringsplichtig zijn geworden);
een brief van DUO waarin staat dat de vreemdeling door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die na 31 december 2012 inburgeringsplichtig zijn geworden);
een advies van DUO waaruit blijkt dat de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd (zie ook B9/8.1.2.3 Vc bij onderdeel c, over ontheffing vanwege aantoonbaar voldoende inburgering);
een brief van het College van B&W waarin staat dat het college vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen van de vreemdeling tot het oordeel komt dat het voor de vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden); of
een brief van het College van B&W waarin staat dat de vreemdeling door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te halen (in geval van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden).
Als vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, beschouwt de IND een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst, waaruit blijkt dat voor Nederlands een voldoende is behaald als bewijsmiddel hiervan.
De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de beoordeling of de IND kan overgaan tot een medische ontheffing als bedoeld in paragraaf B9/8.1.2.2 Vc:
een advies afgegeven door een arts die door het College van B&W van de woonplaats van de vreemdeling is aangewezen en als de vreemdeling is verhuisd: een advies afgegeven door een aangewezen arts uit de vorige woonplaats (in geval van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden); of
een advies afgegeven door een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onafhankelijk medisch adviseur.
De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van een beoordeling van de hardheidsclausule op basis van de geleverde inspanning als bedoeld in paragraaf B9/8.1.2.3 Vc:
een door DUO afgegeven advies, waarin DUO aangeeft dat de vreemdeling ondanks de aangetoonde inspanningen het inburgeringsexamen niet kan halen; of
een verklaring van het ROC van Amsterdam, waarin deze aangeeft dat de vreemdeling analfabeet is en wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat kan worden geacht het inburgeringsexamen binnen vijf jaar af te leggen; en
de door DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’ (A2-niveau).
De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van een beoordeling van de hardheidsclausule vanwege bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in paragraaf B9/8.1.2.3 Vc, bescheiden waaruit deze bijzondere individuele omstandigheden blijken. Aan de hand hiervan beoordeelt de IND of de vreemdeling voor ontheffing in aanmerking komt. De bescheiden bevatten in ieder geval een onderbouwing van:
de wil en de geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het inburgeringsexamen; en
de bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan het met goed gevolg afleggen (van een deel) van het inburgeringsexamen niet kan worden gevergd.
De IND beschouwt een geboorteakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling geboren is in Nederland.
De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling niet woont in het land waarvan hij onderdaan is.
De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.
De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijs dat de aanvraag binnen twee jaar na intrekking van het Nederlanderschap is ingediend.
De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.
De IND beschouwt een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren.
De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waarin de datum is opgenomen waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen twee jaar nadat door de vreemdeling afstand is gedaan van het Nederlanderschap.
De IND beschouwt een afschrift van de beschikking van de SVB, waarin het recht op de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen is toegekend en waarin de vertrekdatum van de vreemdeling is vermeld, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen één jaar na remigratie uit Nederland met toepassing van de Remigratiewet.
De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling minderjarig is.
De IND beschouwt een afschrift van de overlijdensakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de huwelijks- of (geregistreerd) partner, ouder, adoptie- of pleegouder van de vreemdeling is overleden.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de medische behandeling van de vreemdeling voor ten minste één jaar noodzakelijk is:
een door de medische behandelaars van de vreemdeling volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’, die niet ouder is dan zes weken;
een door de vreemdeling zelf volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens’ die niet ouder is dan zes maanden; en
relevante medische gegevens zoals beschreven in paragraaf A3/7.2.4 Vc.
De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:
recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of
een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.
Ad a: De IND verlangt niet van een minderjarige dat deze aangifte doet tegen zijn eigen ouder(s) of een melding maakt van huiselijk geweld door zijn eigen ouder(s).
Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.
De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld.
Daarnaast beschouwt de IND ook als bewijsmiddel van huiselijk geweld:
de beschikking waaruit blijkt dat het huwelijk door de Nederlandse rechter nietig is verklaard omdat het huwelijk onder dwang is gesloten zoals bedoeld in artikel 1:71 lid 1 BW.
De IND beschouwt de dagvaarding of een andere verklaring van het OM als bewijsmiddel waaruit blijkt dat het OM tot vervolging overgaat ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan.
De IND beschouwt een verklaring van de politie, KMar of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid op het gebied van mensenhandel, nog loopt.
De IND beschouwt een door de vreemdeling overgelegde beschikking van het gerechtshof, waaruit blijkt dat het gerechtshof het beklag als bedoeld in artikel 12 WvSv ter zake van mensenhandel gegrond heeft verklaard en de officier van justitie bevolen heeft strafvervolging van ter zake van mensenhandel in te stellen, als bewijsmiddel.
De IND beschouwt een verklaring van de politie of KMar als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces, omdat de ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar voortduren.
De IND beschouwt medische informatie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er nog steeds sprake is van een fysieke of psychische aandoening die aan het verlenen van medewerking aan het strafproces in de weg staat. De medische informatie moet afkomstig zijn van een behandelaar die in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven.
De IND beschouwt een verklaring van de politie of KMar als bewijsmiddel waaruit blijkt dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met de minderjarigheid van de vreemdeling. De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag minderjarig is. Als de vreemdeling op grond van artikel 3.72 Vb wordt vrijgesteld van het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, dan dient hij zijn minderjarigheid met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Daarbij wordt betrokken of sprake is van bewijsnood.
De IND beschouwt een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling voor mensenhandel.
De IND beschouwt bewijsstukken waaruit de banden met Nederland en de intensiteit daarvan blijken als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling privéleven heeft opgebouwd in Nederland.
De IND beschouwt de instemmingsverklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de Nederlandse Centrale autoriteit heeft ingestemd met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland.
De IND beschouwt het instemmingsbesluit van de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling als bewijsmiddel dat de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling heeft besloten om in te stemmen met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland.
De IND beschouwt een verklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de vreemdeling niet meer zal kunnen terugkeren naar de oorspronkelijke gezinssituatie en tot zijn 18de jaar in een pleeggezin of instelling zal gaan verblijven.
De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel dat het gezag over de vreemdeling is geregeld.
De IND beschouwt een uitspraak van de kinderrechter als bewijsmiddel dat het gezag van de ouders over een minderjarige vreemdeling is beëindigd en dat er een voogd is benoemd.
De IND beschouwt de beschikking van de kinderrechter als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling is verlengd.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt welke hulpverlening de minderjarige vreemdeling nodig heeft als bedoeld in B9/16.5 Vc:
het rapport van de Raad voor Kinderbescherming; of, indien van recenter datum:
het rapport van de gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert.
De IND beschouwt uitsluitend een advies van de DTenV als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling van een minderjarige vreemdeling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang kan worden verleend.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Voorheen paragraaf B9/18.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor langdurig in Nederland verblijvende Surinaamse vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, die tot 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit bezaten en ten aanzien van wie een eenmalige, bijzondere humanitaire regeling in het leven is geroepen. Deze regeling loopt van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025.
In deze periode kunnen bedoelde niet-rechtmatige verblijvende Surinamers op aanvraag voor rechtmatig verblijf in aanmerking komen. De grondslag voor deze eenmalige, bijzondere humanitaire regeling is artikel 3.51, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder m, VV.
De Surinaamse vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor deze regeling, meldt zich eerst bij het Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen (ASKV). Het ASKV begeleidt Surinaamse vreemdelingen uit alle gemeenten in Nederland die een beroep doen op deze regeling.
Het ASKV bespreekt samen met de Surinaamse vreemdeling of de vreemdeling aan de in paragraaf B9/21.3 Vc genoemde voorwaarden voldoet, welke bewijsmiddelen de vreemdeling nodig heeft en hoe deze bewijsmiddelen te verkrijgen. Het ASKV ondersteunt vervolgens de Surinaamse vreemdeling bij het verzamelen van voornoemde bewijsstukken. Nadat alle bewijsstukken zijn verzameld ondertekent de vreemdeling een antecedentenverklaring die bij de aanvraag wordt gevoegd. De aanvraag wordt vervolgens vóór 1 juli 2025 bij de IND ingediend.
Als de vreemdeling nog in afwachting is van al eerder opgevraagde aanvullende bewijsmiddelen met betrekking tot de identiteit en nationaliteit kunnen deze binnen een redelijke termijn na de sluitingsdatum van 1 juli 2025 worden verstrekt zolang de aanvraag vóór 1 juli 2025 is ingediend.
Namens de Surinaamse vreemdeling wordt enkel een aanvraag ingediend als de vreemdeling de volgende bewijsmiddelen over heeft gelegd:
een bewijs van oud-Nederlanderschap tenzij het oud- Nederlanderschap al is komen vast te staan door het overleggen van een identiteitsbewijs;
een bewijs van een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland van tien jaar (Burgemeestersverklaring);
een antecedentenverklaring; en
een identiteitsbewijs tenzij de identiteit al is komen vast te staan door het overleggen van een bewijs van oud-Nederlanderschap.
In de overige gevallen wordt namens de vreemdeling door het ASKV geen aanvraag ingediend.
Als de Surinaamse vreemdeling bewijs heeft overgelegd dat hij een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland heeft gehad van tien jaar, dan geeft de gemeente Amsterdam een ondertekende Burgemeestersverklaring af. Namens de vreemdeling wordt deze ondertekende Burgemeestersverklaring samen met de andere bewijsmiddelen door het ASKV aan de IND gestuurd.
De IND wijst de aanvraag onverkort af als:
de vreemdeling zonder tussenkomst van het ASKV bij de IND een aanvraag heeft ingediend; of
de aanvraag van de vreemdeling niet is voorzien van een Burgemeestersverklaring.
Paragraaf B1/8.1.1 Vc die ziet op gelegaliseerde bescheiden is van overeenkomstige toepassing.
Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder m, VV verleent de IND een verblijfsvergunning voor bepaalde duur aan de Surinaamse vreemdeling, die:
voor 1975 Nederlander is geweest en het Nederlanderschap als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 heeft verloren;
voorafgaand aan 1 januari 2025 een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland heeft gehad van tien jaar, zoals vastgelegd in de Burgemeestersverklaring, afgegeven door de gemeente Amsterdam;
zijn identiteit aantoont door het bezit van een geldig identiteitsbewijs, paspoort, een verklaring van nationaliteit of bewijs van voormalig Nederlanderschap; en
binnen de periode van tien jaar voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag om de verblijfsvergunning niet is veroordeeld voor een misdrijf
Als de Surinaamse vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van deze regeling, wordt de vreemdeling vrijgesteld van het vereiste in het bezit te zijn van een geldige mvv.
Deze regeling geldt alleen voor de Surinaamse vreemdeling, die geboren is vóór 25 november 1975 en op 25 november 1975 het Nederlanderschap bij de onafhankelijkheid van Suriname heeft verloren als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst tussen Suriname en Nederland. De vreemdeling moet aantonen hij voor 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit heeft gehad, bijvoorbeeld via een bewijs van verklaring van ex-Nederlanderschap of door het overleggen van een verlopen Nederlands paspoort van voor 25 november 1975.
Het ASKV beoordeelt of er bij Surinaamse vreemdeling sprake is van:
niet-rechtmatig verblijf;
een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland van tien jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag.
Het is voor de Surinaamse vreemdeling niet noodzakelijk dat hij aantoont de gehele periode van tien jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag, geen rechtmatig verblijf te hebben gehad. Kortdurend verblijf buiten Nederland, bijvoorbeeld vanwege ziekte of familiebezoek, wordt niet tegengeworpen. Het gaat om het aannemelijk maken van langdurig feitelijk verblijf in Nederland.
Een lijst van bewijsmiddelen waarmee de Surinaamse vreemdeling de duur van het verblijf kan aantonen is op de website van ASKV en/of gemeente Amsterdam beschikbaar.
Als bewijs van zijn identiteit en nationaliteit legt de Surinaamse vreemdeling over een:
Surinaamse identiteitskaart;
Surinaams paspoort;
verklaring van nationaliteit van de Surinaamse autoriteiten. Deze verklaring mag niet ouder zijn dan één jaar; of
bewijs van voormalig Nederlanderschap, bestaande uit een verlopen Nederlands paspoort van voor 25 november 1975 of een verklaring van ex-Nederlanderschap van de Surinaamse autoriteiten.
De Surinaamse vreemdeling die binnen de periode van tien jaar voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag van de verblijfsvergunning is veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf, wegens het plegen van één of meerdere misdrijven komt op grond van de openbare orde niet in aanmerking voor deze regeling als:
hiertegen gevangenisstraf of een vrijheidsbenemende maatregel, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a of 38m of van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, de vreemdeling bij strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen in totaal ten minste één maand bedraagt;
In het algemeen wordt hierbij een termijn gehanteerd van een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel van ten minste één maand. Dit geldt eveneens voor een onherroepelijk opgelegde taakstraf of een boete die niet ter uitvoering kon worden gelegd en heeft geleid tot een vervangende gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel van ten minste één maand.
Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld.
Als voornoemde termijn langer is dan een maand dan moet dit worden beoordeeld in het licht van de strekking van deze eenmalige, bijzondere humanitaire regeling.
Bovenstaande beleidsregels met betrekking tot de openbare orde wijken af van de algemene beleidsregels over de openbare orde als opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc.
Voor wat betreft een eventueel gevaar voor de nationale veiligheid is paragraaf B1/4.4 Vc van overeenkomstige toepassing.
Het algemene beleid inzake gezinshereniging is van toepassing.
Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ’niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder s, Vb verleent de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ met de geldigheidsduur van vijf jaar.
Paragraaf B9/19 Vc is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf B9/19 Vc is van overeenkomstige toepassing.
Artikel B9
Humanitair niet-tijdelijk
Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (B)· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2025
Verwijzingen
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 8
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- art 3
- artikel 16
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 16
- artikel 3
- art 16a Vw
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 16
- artikel 64 Vw
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 2
- artikel 3
- art 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- art 45b Vw
- artikel 8
- artikel 3
- artikel 16
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 15
- artikel 3
- art. 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 64 Vw
- artikel 31
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 16
- artikel 15
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 15
- artikel 16 Vw
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- art 21 Vw
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 14
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 16
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 8
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 3
- artikel 16
- artikel 3
- artikel 37a
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 67 Vw
- artikel 3
- artikel 5
- artikel 3
- artikel 5
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 2
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3