Naar hoofdinhoud

Artikel B10

EU-recht en Internationale Verdragen

Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (B)· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2013

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen ten aanzien van: het recht van de Europese Unie; internationale Verdragen; de Associatieovereenkomst EG-Turkije. In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op grond van richtlijn 2004/38, artikel 10 van verordening 492/2011, artikel 20 VWEU en artikel 21 VWEU. In richtlijn 2004/38 staan de regels voor het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie van Unieburgers en hun familieleden. Artikel 10 van verordening 492/2011 geeft rechten aan kinderen van een Unieburger, die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn en onder dezelfde voorwaarden als de eigen burgers van deze staat toegelaten zijn tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding. Artikel 20 VWEU bevat de rechten van burgers van de Unie. Artikel 21 VWEU bevat het recht om vrij te reizen en vrij te verblijven, onder voorbehoud van beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. De beleidsregels zijn tevens een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 8.7 t/m 8.25 Vb. In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, Vb beschouwt de IND een Unieburger als werknemer als: deze gedurende een bepaalde tijd prestaties levert in een bepaalde gezagsverhouding; als tegenprestatie een vergoeding ontvangt; en de Unieburger reële en daadwerkelijke arbeid verricht. In aanvulling op artikel 8.12, tweede lid, Vb gaat de IND ingeval van werkloosheid uit van onvrijwillige werkloosheid tenzij door de gemeentelijke sociale dienst of het UWV genoegzaam is vastgesteld dat hier geen sprake van is In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, Vb beschouwt de IND een Unieburger als zelfstandige als de arbeid wordt verricht: zonder enige gezagsverhouding met betrekking tot de keuze van deze activiteit, de arbeidsomstandigheden en de beloning; onder zijn eigen verantwoordelijkheid; en tegen een beloning die volledig en rechtstreeks aan hem wordt uitbetaald. Een Unieburger die op grond van de voorgaande paragrafen te beschouwen is als werknemer of zelfstandige moet reële en daadwerkelijke arbeid verrichten. Werkzaamheden van zo geringe omvang dat ze louter marginaal en bijkomstig zijn, worden uitgesloten. De IND maakt hierbij een individuele beoordeling. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als: de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm voor de desbetreffende categorie; of de Unieburger ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt. De IND kan een Unieburger op grond van de voorgaande paragrafen alleen aanmerken als werknemer of zelfstandige als de arbeid op de legale arbeidsmarkt wordt verricht. Dat is het geval indien alle wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften bij het verrichten van de arbeid in acht zijn genomen. De IND beschouwt als werkzoekende: de Unieburger die Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt door middel van een inschrijving bij het UWV. De Unieburger behoudt deze status voor in ieder geval zes maanden gerekend vanaf de datum van inschrijving bij het UWV. De Unieburger die langer dan zes maanden in Nederland is zonder te zijn toegetreden tot de arbeidsmarkt, staat ingeschreven als werkzoekende bij het UWV en aantoont dat hij een reële kans maakt om te worden aangenomen. De IND onderscheidt twee groepen economisch inactieve Unieburgers: een economisch inactieve Unieburger met regelmatige inkomsten. De IND merkt een Unieburger die beschikt over middelen ter hoogte van het normbedrag dat in artikel 3.74 Vb voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval aan als een economisch inactieve Unieburger met regelmatige inkomsten. De IND maakt hierbij een individuele beoordeling; of een economisch inactieve Unieburger zonder regelmatige inkomsten. De IND beschouwt een Unieburger die beschikt over een banksaldo dat tenminste twaalf keer het in artikel 3.74 Vb genoemde normbedrag per maand bedraagt, gerekend vanaf het moment van indienen van de aanvraag, als een economische inactieve Unieburger zonder regelmatige inkomsten. De IND maakt hierbij een individuele beoordeling. Uitkeringen waaraan geen premie- of bijdragebetalingen door de ontvanger vooraf zijn gegaan, kunnen niet worden aangemerkt als inkomsten van een economisch inactieve Unieburger. Voor de vaststelling of de Unieburger over voldoende middelen beschikt, is het voldoende dat deze middelen aantoonbaar beschikbaar en rechtmatig zijn. De herkomst doet niet ter zake. De wettelijke en bestuurlijke voorschriften omtrent de middelen en inkomsten dienen te zijn nageleefd. De IND beschouwt een Unieburger als student als deze ingeschreven staat voor een opleiding die is opgenomen in de Registratie Instellingen en Opleidingen. In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verstaat de IND onder ‘beroepsopleiding’ iedere onderwijsvorm (inclusief stage) die opleidt voor een: speciaal beroep; vak; betrekking; of bijzondere bekwaamheid om een beroep uit te oefenen. De IND beschouwt de personen genoemd in artikel 8.7 tweede lid tot en met het vierde lid Vb als familieleden van een Unieburger. De IND erkent in beginsel een huwelijk dat op een naar Nederlands recht geldige wijze is gesloten. De IND erkent gedwongen en polygame huwelijken niet. De IND kent uitsluitend aan één (huwelijks)partner een afgeleid verblijfsrecht toe. De IND beschouwt het huwelijk als ontbonden wanneer de echtscheiding door een Nederlandse rechter is uitgesproken en is ingeschreven in de BRP. Als het huwelijk door een buitenlandse rechter is ontbonden, is het internationaal privaatrecht van toepassing. Het geregistreerd partnerschap wordt als beëindigd beschouwd als de beëindiging (bij overeenkomst of via de rechter) in de BRP is ingeschreven. De IND beschouwt kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen als rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn (als bedoeld in artikel 8.7, lid 2 sub c, Vb) als deze jonger dan 21 jaar zijn; of ten laste van de Unieburger of van zijn (huwelijks)partner zijn. De IND stelt adoptiefkinderen gelijk met rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn. De IND beschouwt ouders, grootouders en overgrootouders als rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn (als bedoeld in artikel 8.7, lid 2 sub d, Vb). Ook zij moeten ten laste van de Unieburger of van zijn (huwelijks)partner komen. Andere familieleden als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, Vb dienen een nauwe en duurzame familieband met een Unieburger te hebben wegens bijzondere feitelijke omstandigheden zoals genoemd onder sub a en b in het Vb. Er zijn geen beperkingen met betrekking tot de graad van verwantschap ten aanzien van deze familieleden. Als een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb en artikel 8.7, derde lid, Vb stelt ten laste te zijn van een Unieburger, dan beoordeelt de IND of dit familielid, op het moment dat dit familielid verzoekt om hereniging met de Unieburger, in het land van herkomst of het land waar het familielid eerder woonde (dat wil zeggen niet in Nederland) materieel werd ondersteund door de Unieburger. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn. Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d en derde lid Vb neemt de IND in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is als het familielid vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoeften voorziet. Waarom het familielid een beroep doet op materiële ondersteuning is niet van belang. Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid aanhef en onder c en d en derde lid Vb neemt de IND in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning reëel is als de burger van de Unie aan het familielid ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor het familielid noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst of het land waar het familielid eerder woonde (niet zijnde Nederland). De IND neemt aan in aanvulling op artikel 8.7, vierde lid, Vb dat een Unieburger en de ongehuwde partner een duurzame relatie hebben, als zij voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij in ieder geval gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. De IND kan op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval een relatie als duurzaam aanmerken als de Unieburger en de ongehuwde partner: nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond; en gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. De IND betrekt bij die beoordeling de redenen, waarom de Unieburger en de ongehuwde partner (tijdelijk) niet samenwonen. Verder kan de IND daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aan kunnen tonen dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie als hier bedoeld: de duur van de gezamenlijke huishouding; het dragen van zorg voor elkaar; het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen; het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden (hypotheek, gezamenlijke schulden of gezamenlijke bankrekeningen) of gezamenlijk grote aankopen of eigendommen; samenwoning in het verleden (in Nederland of in het buitenland); en/of de frequentie van het contact en elkaar zien. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie. De IND kent uitsluitend aan één (ongehuwde) partner een afgeleid verblijfsrecht toe. Een minderjarig kind van de ongehuwde partner van een Unieburger moet voldoen aan (de reguliere) toelatingsvoorwaarden van artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb. Op grond van artikel 10 Verordening nr. 492/2011 hebben kinderen van een Unieburger, die op het grondgebied van een andere lidstaat reële en daadwerkelijke arbeid verricht of heeft verricht, als zij aldaar woonachtig zijn, recht op toelating tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding onder dezelfde voorwaarden als de eigen burgers van deze staat. De IND verleent het kind en de verzorgende ouder een afgeleid verblijfsrecht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het kind moet in de gastlidstaat zijn gevestigd waar de ouder als werknemer daadwerkelijke en reële arbeid (heeft) verricht (zie ook paragraaf B10/2.2.1 Vc); en het kind moet in de gastlidstaat hebben verbleven op het moment dat de ouder reële en daadwerkelijke arbeid verrichte. Het middelenvereiste als genoemd in artikel 8.12, eerste lid Vb geldt niet als voorwaarde bij deze aanvraag. De IND verleent aan het familielid van een Unieburger, zoals bedoeld in artikel 8.7 Vb, op grond van artikel 21 VWEU een afgeleid verblijfsrecht in situaties waarin het recht van vrij verkeer van Unieburgers wordt belemmerd. De IND neemt in ieder geval aan dat het recht van vrij verkeer van de Unieburger wordt belemmerd: als de Unieburger genaturaliseerd is tot Nederlander (al dan niet met verlies van de oorspronkelijke nationaliteit) nadat hij ooit in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 8.12 Vb. Een afgeleid verblijfsrecht kan alleen worden toegekend als de Unieburger aan artikel 8.12, eerste lid onder a, b of c Vb voldoet; als de verzorgende ouder niet bij de minderjarige Unieburger kan verblijven (zie paragraaf B10/2.4.1); als de familieleden van Unieburgers naar hun lidstaat terugkeren (zie paragraaf B10/2.4.2 Vc); of als er sprake is van verblijf op grond van het terugtrekkingsakkoord (zie paragraaf B10/2.4.3). De IND verleent op grond van artikel 21 VWEU aan de ouder van een minderjarige Unieburger een afgeleid verblijfsrecht als: de minderjarige Unieburger beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een verzekering die de ziektekosten volledig dekt; en deze ouder daadwerkelijk voor hem zorgt. De minderjarige Unieburger voldoet aan het middelenvereiste als die minderjarige Unieburger voldoende middelen ter beschikking staan als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid Vb. Voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid: daadwerkelijk hebben verbleven in een andere lidstaat van de EU; en gedurende ten minste drie maanden van daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken hebben voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 1 of lid 2 van artikel 7 of artikel 16 van richtlijn 2004/38 en tijdens dat daadwerkelijke verblijf een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. De IND past bij het familielid van een Nederlander hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vb en paragraaf B10/2.2.2. Vc naar analogie toe. Het middelenvereiste als genoemd in artikel 8.12, eerste lid Vb geldt niet als voorwaarde bij deze aanvraag. Voor een uit het derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat bij terugkeer uit het Verenigd Koninkrijk een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als: de Nederlander en het uit een derde land afkomstige familielid voldoen aan de voorwaarden genoemd onder paragraaf B10/2.4.2. Vc; de Nederlander vóór of op 31 december 2020 in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was; en het uit een derde land afkomstige familielid vóór of op 31 december 2020 reeds familielid was van de Nederlander en ook daarna (op het moment dat het uit een derde land afkomstige familielid zich bij de Nederlander in het Verenigd Koninkrijk voegt én na terugkeer in Nederland) sprake is van een bestendigde familierechtelijke relatie met de Nederlander. De IND past bij het familielid van een Nederlander hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vb en paragraaf B10/2.2.2. Vc toe. Het middelenvereiste als genoemd in artikel 8.12, eerste lid Vb geldt niet als voorwaarde bij deze aanvraag. De IND verstrekt een sticker ’verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan’ (bijlage 7h, VV) met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid toegestaan; tewerkstellingsvergunning niet vereist’ aan de uit een derde land afkomstige vreemdeling, als: de vreemdeling een familielid van de Unieburger is als bedoeld in artikel 8.7 tweede, derde of vierde lid Vb; hij verblijft in een andere EU-lidstaat; hij arbeid verricht in Nederland of werkzoekende is, én; de Unieburger op dat moment eveneens reële en daadwerkelijke arbeid verricht in Nederland. In de overige gevallen geldt dat het uit een derde land afkomstige familielid van een Unieburger die op grond van het EU-recht verblijft in een andere EU-lidstaat alleen in Nederland arbeid mag verrichten als de werkgever beschikt over een geldige tewerkstellingsvergunning, tenzij de Wav anders bepaalt. De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij: zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen; een minderjarig, Nederlands kind heeft; en er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. De IND kan niet vaststellen dat er sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als de derdelands ouder onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Dit verblijfsrecht is afgeleid van artikel 20 VWEU. Als een vreemdeling geen geldig paspoort of een geldige identiteitskaart heeft overgelegd, kan hij zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen aannemelijk maken, waaronder zijn verklaringen. Alle aangevoerde documenten en verklaringen moeten afzonderlijk en in onderlinge samenhang worden bezien. De IND kijkt bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten naar de manier waarop het document is afgegeven. Hierbij is het van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door de betreffende autoriteiten is opgesteld. De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van afgifte zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens van de vreemdeling op het document staan. De IND houdt bij de beoordeling van deze documenten ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en de administratieve praktijken die in het land van herkomst of in het land van afgifte gangbaar zijn. Er is in ieder geval sprake van ouderschap als het juridische of het biologische ouderschap is aangetoond. Ook andere feitelijke verzorgers, zoals stief-, pleeg- en opvangouders, kunnen als ouder in de zin van dit beleid worden aangemerkt, zolang zij die rol op vergelijkbare wijze invullen. Het juridische ouderschap kan worden aangetoond met een geboorteakte, akte van erkenning of met andere officiële documenten waaruit een juridische band tussen de ouder en het kind blijkt. Biologisch ouderschap kan worden aangetoond aan de hand van een DNA-test. Gezag is geen zelfstandige voorwaarde voor het ouderschap. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind kan worden aangetoond door middel van een geldig Nederlands paspoort of een geldige Nederlandse identiteitskaart. De IND neemt in beginsel een zodanige afhankelijkheid aan als de derdelander ouder duurzaam samenwoont met een minderjarig Nederlands kind over wie hij het gezag heeft en voor wie hij de wettelijke en financiële last draagt en met wie hij een affectieve band heeft. In andere gevallen beoordeelt de IND de zodanige afhankelijkheid aan de hand van de volgende omstandigheden: de derdelands ouder zorgt daadwerkelijk voor het kind; de vreemdeling heeft het ouderlijk gezag over het minderjarige Nederlandse kind; de rol van de andere Nederlandse ouder(s); de vreemdeling draagt de wettelijke en financiële lasten voor het Nederlandse kind en heeft een affectieve band met het Nederlandse kind; de woonsituatie van het kind; de leeftijd van het kind; het lichamelijke en emotionele ontwikkelingsniveau, de gezondheid en de economische situatie van het kind; het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als hij van zijn ouder wordt gescheiden. Het gaat hier niet over cumulatieve voorwaarden, maar omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. De IND merkt zorgtaken in elk geval aan als daadwerkelijke zorgtaken als deze op dagbasis terugkeren. De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de derdelander ouder niet is aan te rekenen. Dit wordt de derdelander ouder niet aangerekend als aangetoond wordt dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert, terwijl eerder wel sprake was van het verrichten van daadwerkelijke zorgtaken door de vreemdeling. Onder zorgtaken wordt niet verstaan enkel omgang of contact met het minderjarige Nederlandse kind. Gezag is geen zelfstandige voorwaarde, maar speelt wel een rol bij de beoordeling van de zodanige afhankelijkheidsverhouding. Gezag is een indicatie dat sprake is van een zodanige afhankelijkheid. Dat een andere ouder voor het kind zorgt of kan en wil zorgen is geen zelfstandige reden om de zodanige afhankelijkheid tussen de vreemdeling en het kind niet vast te stellen. Als het zwaartepunt van de verzorging bij de andere ouder ligt, dan is dat wel een indicatie dat het kind minder afhankelijk is van de vreemdeling. Een vreemdeling draagt de wettelijke last voor een Nederlands kind als vaststaat dat er tussen de vreemdeling en het kind een familierechtelijke betrekking bestaat. De familierechtelijke betrekking wordt aangetoond met een geboorteakte of bewijs van erkenning of met andere officiële documenten waaruit een juridische band tussen de ouder en het kind blijkt. Een vreemdeling draagt de financiële last voor een Nederlands kind als hij op duurzame wijze een financiële bijdrage levert aan de opvoeding en verzorging van het kind. De vreemdeling kan dit met ieder passend middel aantonen. Een vreemdeling heeft een affectieve band met het kind als er is aangetoond dat er sprake is van een duurzame emotionele band tussen de vreemdeling en het kind. Bij het beoordelen van de duurzaamheid van de affectieve band worden in elk geval de volgende omstandigheden betrokken: de leeftijd van het kind, en; de duur van de relatie tussen de ouder en het betrokken kind. Bij het beoordelen van de woonsituatie beoordeelt de IND in elk geval of de vreemdeling en het Nederlandse kind samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Hier geldt dat samenwoning sneller in de richting van een zodanige afhankelijkheid wijst dan niet-samenwoning. Een derdelands (voor)kind heeft in ieder geval rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij: minderjarig is; het biologische of juridische kind is van een derdelands ouder met een verblijfsrecht of een faciliterend visum op grond van 20 VWEU; met deze ouder familieleven heeft in de zin van artikel 8 EVRM; zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen dan wel verklaringen ingeval hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen; zodanig afhankelijk is van zijn derdelands ouder dat het minderjarige Nederlandse kind, bij wie de derdelands ouder verblijf heeft, de Europese Unie moet verlaten als hem het verblijfsrecht wordt geweigerd; en een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder heeft overgelegd als bedoeld in paragraaf B7/3.2.3 Vc. De regels in paragraaf B10/2.5 Vc die zien op ‘identiteit en nationaliteit’, ‘minderjarigheid’ en ‘zodanige afhankelijkheid’ zijn van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf. Als de IND tijdens een andere procedure – hetzij een aanvraag, verlenging of intrekking – de aanvraag afwijst, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de gevraagde vergunning, beoordeelt de IND of er aanknopingspunten zijn voor een verblijfsrecht op grond richtlijn 2004/38, artikel 10 van verordening 492/2011, artikel 21 VWEU of artikel 20 VWEU. De IND verricht hier (ambtshalve) onderzoek naar. Na een beslissing van de IND tot ontzegging of beëindiging van het rechtmatig verblijf, of een beslissing gericht op de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is, geldt het volgende: de Unieburger of diens familielid heeft van rechtswege niet langer rechtmatig verblijf; de Unieburger of diens familielid moet Nederland binnen een maand uit eigen beweging verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet; het instellen van tijdig bezwaar heeft opschortende werking tenzij de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen of artikel 8.24, derde lid, Vb van toepassing is; en het instellen van beroep heeft geen opschortende werking. De vertrektermijn wordt alleen bekort tot minder dan een maand in dringende gevallen in de zin van artikel 8.24, derde lid, Vb. Hiervan is in ieder geval sprake als: het persoonlijk gedrag van de Unieburger of diens familielid een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt als bedoeld in artikel 8.22 Vb; of sprake is van rechtsmisbruik of fraude, als bedoeld in artikel 8.25 Vb. Voor het EU-recht geldt een vrije bewijsleer, tenzij anders is bepaald in Vb, VV, of Vc. De IND beperkt de bewijsmiddelen voor de Unieburger en zijn familieleden niet. De IND beschouwt de bewijsmiddelen zoals onder andere genoemd in artikel 7.2a Vv als bewijsmiddelen dat sprake is van het verrichten van arbeid als zelfstandige. In aanvulling op artikel 8.13, derde lid, Vb beschouwt de IND in ieder geval als bewijsmiddel: een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, huurcontracten of afschriften van rekeningen op beider naam als sprake is van een gezamenlijke huishouding buiten Nederland; een bewijs van inschrijving als ingezetene in de BRP als de partners in Nederland samenwonen of recentelijk hebben samengewoond. Een uit een derde land afkomstig familielid is niet verplicht om bij de aanvraag een verklaring van inschrijving van de Unieburger te overleggen. Op grond van artikel 8:16 Vb kan een beroep op de algemene middelen leiden tot een verblijfsbeëindiging. Daartoe wordt niet overgegaan indien persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in paragraaf B10/2.8 Vc zich hiertegen verzetten. Het rechtmatig verblijf van een economisch niet-actieve Unieburger of diens familielid wordt beëindigd bij een beroep op de algemene middelen door de Unieburger of diens familielid als een van beiden: in de eerste twee jaar van dat verblijf een – al dan niet aanvullend – beroep doet op een uitkering in het kader van de Pw; in het derde jaar van dat verblijf twee maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Pw of gedurende drie maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Pw; in het vierde jaar van dat verblijf vier maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Pw of gedurende zes maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Pw; in het vijfde jaar van dat verblijf zes maanden of langer een eerste, meer dan aanvullend beroep doet op de Pw of gedurende negen maanden of meer een aanvullend beroep doet op de Pw; in achtereenvolgende jaren van verblijf of binnen een jaar meermalen een beroep doet op een uitkering in het kader van de Pw; of binnen drie jaren van verblijf vijftien maanden of meer een aanvullend beroep doet op een uitkering in het kader van de Pw. Een (aanvullend) beroep op een uitkering in het kader van de Pw heeft in ieder geval géén gevolgen voor het verblijfsrecht als de Unieburger of diens familielid: slachtoffer is van huiselijk geweld en dit op dezelfde wijze heeft aangetoond als bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden na huiselijk geweld op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder e, VV; of slachtoffer is van mensenhandel en voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld aan verblijf als slachtoffer-aangever of getuige-aangever mensenhandel. Voorwaarde hierbij is wel dat de Unieburger rechtmatig verblijf moet hebben gehad (zie paragraaf B8/3 Vc). Het verblijfsrecht van een familielid van een Unieburger eindigt niet indien de Unieburger is genaturaliseerd tot Nederlander (al dan niet met verlies van de oorspronkelijke nationaliteit). Het verblijfsrecht van de verzorgende ouder van een minderjarige Unieburger als bedoeld in paragraaf B10/2.3 Vc, eindigt bij de meerderjarigheid van het kind, tenzij de aanwezigheid van de verzorgende ouder nodig is om de opleiding te kunnen voortzetten en voltooien. De IND verstaat onder een aanvullend beroep op een uitkering in het kader van de Pw een beroep van maximaal 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. Als de Unieburger of diens familielid een uitkering krijgt van meer dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm beschouwt de IND dit als een meer dan aanvullend beroep. In aanvulling op artikel 8.16 Vb geldt dat de IND: in specifieke gevallen van redelijke twijfel onderzoekt of de Unieburger of diens familielid nog altijd aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als genoemd in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 Vb voldoet; en het verblijfsrecht van de Unieburger of diens familielid per beschikking beëindigt als de IND vaststelt dat de Unieburger of diens familielid niet langer aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf voldoet. De IND verricht bij ontzegging of beëindiging van het verblijf een belangenafweging. De IND maakt geen belangenafweging indien de aanvrager nimmer begunstigde is geweest als bedoeld in artikel 8.7 Vb. Bij de belangenafweging worden in ieder geval de volgende belangen betrokken: de duur van het verblijf; de banden die de Unieburger of het familielid nog heeft met het land van herkomst; de gezinssituatie van de Unieburger of het familielid; de medische situatie van de Unieburger of het familielid; de leeftijd van de Unieburger of het familielid; de mate van sociale zekerheidspremies die de Unieburger of het familielid eerder heeft betaald; en de mate van integratie in Nederland van de Unieburger en zijn familieleden. Als een beroep wordt of is gedaan op de sociale bijstand wordt bij de belangenafweging eveneens betrokken: de duur, de frequentie en de omvang van het beroep dat de Unieburger of het familielid op de algemene middelen heeft gedaan; de (overige) beroepen op (sociale) voorzieningen; de reden waarom de Unieburger of het familielid tijdelijk of permanent niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien; en de nabije toekomstverwachting, oftewel of de Unieburger of zijn familielid nog bijstand nodig zal hebben op korte termijn. Op grond van artikel 8.25 Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als er sprake is van fraude of misbruik. Er is sprake van fraude als de Unieburger of het familielid: frauduleuze documenten overlegt waarin wordt gesteld dat aan alle formele voorwaarden is voldaan; of documenten overlegt die zijn opgesteld op basis van een onjuiste voorstelling van feiten betreffende de voorwaarden voor het verblijfsrecht. Er is sprake van misbruik als de Unieburger of het familielid kunstmatig gedrag vertoont met als enig doel een verblijf te verkrijgen op grond van het recht op vrij verkeer. Daarbij is van belang dat de Unieburger of het familielid formeel voldoet aan de voorwaarden van het recht op vrij verkeer, maar dat de Unieburger of het familielid in strijd met het doel van het recht op vrij verkeer handelt. Op grond van artikel 8.22, eerste lid, Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf als het persoonlijke gedrag van een Unieburger of diens familielid een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, tenzij in geval van strafrechtelijke veroordelingen dan wel de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag analoge toepassing van artikel 3.77 of 3.86 Vb niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden. De IND ontzegt of beëindigt het rechtmatig verblijf ook op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging of beëindiging zou kunnen leiden. Bij het ontzeggen of beëindigen van het rechtmatig verblijf op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten wordt rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving. Als ondergrens hanteert de IND de glijdende schaal voor veelplegers als genoemd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, Vb. De IND legt een ongewenstverklaring op overeenkomstig paragraaf A4/3.1 Vc. Voor de signalering van de Unieburger of het familielid van een Unieburger wordt verwezen naar paragraaf A2/12.6 Vc. Deze passage is tevens van toepassing op de gezinsleden van een (minderjarig) Nederlands kind als bedoeld onder paragraaf B10/2.5 Vc en op de gezinsleden van schoolgaande kinderen als bedoeld in paragraaf B10/2.3 Vc. Op grond van artikel 8.23, eerste lid, Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als de in artikel 8.23, eerste lid, Vb genoemde gevallen zich voordoen. In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op grond van internationale Verdragen. Alleen de Verdragen die verblijfsrechtelijke gevolgen hebben, zijn opgenomen in dit hoofdstuk. Verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM is opgenomen in B7/3.8. De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 7.2 en 8.26 Vb. Dit Verdrag is alleen voor onderdanen van Turkije, Servië, Montenegro, Macedonië en Andorra van belang. De IND verstaat onder rechtmatig verblijf in overeenstemming met artikel 11 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met h, en j en l, Vw. De IND verstaat onder ‘repatriëring’ verblijfsbeëindiging, inclusief uitzetting. De IND verstaat onder ‘het behoeven van bijstand’ het doen van een beroep op de algemene middelen. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand beëindigt de IND het verblijf van de rechtmatig verblijvende onderdaan van een andere partij die een beroep doet op de algemene middelen uitsluitend als de vreemdeling: het grondgebied heeft betreden vóór het bereiken van de leeftijd van 55 jaar en minder dan vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad; het grondgebied heeft betreden ná het bereiken van de leeftijd van 55 jaar en minder dan tien jaar rechtmatig verblijf heeft gehad (zie artikel 7 van het Verdrag); als de intrekkingsgronden van artikel 19 juncto 18, eerste lid, met uitzondering van onderdelen b en d, Vw van toepassing zijn. De IND beëindigt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een beroep doet op de algemene middelen in ieder geval niet als de vreemdeling: in een staat van gezondheid verkeert die vervoer niet toelaat (zie artikel 7, aanhef en onder (a) en (ii), van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand en artikel 64 Vw); en een bijzondere band met Nederland heeft (zie artikel 7, aanhef en onder (a) en (iii), van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand). Naarmate de vreemdeling langer in Nederland verblijft, neemt de IND eerder aan dat de vreemdeling een bijzondere band met Nederland heeft. Het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers is alleen van belang voor Turkse werknemers en alleen voor zover Turkse werknemers geen rechten kunnen ontlenen aan Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije. Daarnaast is het van belang voor onderdanen van Albanië, Moldavië en Oekraïne. De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid wegens afvloeiing of langdurige ziekte tot maximaal vijf maanden na het intreden van de ziekte of de werkloosheid, maar niet langer dan de duur van de uitkering in het kader van de WW. De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen voor: het zoeken naar werk; omscholing; of revalidatie. De IND neemt in ieder geval aan dat geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid als sprake is van één van de situaties zoals opgenomen in paragraaf B5/5 Vc onder verwijtbare werkloosheid. In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor verblijf op grond van de Associatieovereenkomst EG-Turkije en Besluit 1/80. Besluit 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden. Besluit 1/80 ziet, met uitzondering van de standstillbepaling van artikel 13, niet op eerste toelating. Aan de artikelen 6, eerste lid, en 7, Besluit 1/80 kan een vreemdeling recht op voortgezette arbeid ontlenen. Dit recht op voortgezette arbeid brengt een recht op voortzetting van verblijf met zich mee. Dit verblijfsrecht ontstaat en vervalt van rechtswege. De IND legt de begrippen ‘werknemer’ en ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ voor zover gebruikt in deze paragraaf, op dezelfde wijze uit als in paragraaf B10/2 Vc. Onder ‘gezinsleden’ verstaat de IND de echtgenoot of geregistreerd partner van de Turkse werknemer, hun rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn en de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot of geregistreerd partner, die te hunnen laste zijn. Het gezinslid hoeft zelf niet de Turkse nationaliteit te hebben. De IND betrekt bij de beoordeling of het verblijf van een ((ex-) gezinslid van een) Turkse onderdaan beëindigd moet worden ambtshalve of de verblijfsbeëindiging in strijd is met Besluit 1/80. De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van legale arbeid als bedoeld in artikel 6 Besluit 1/80 als de vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning op grond waarvan hem is toegestaan die arbeid te verrichten. De IND neemt ook aan dat sprake is van legale arbeid als bedoeld in artikel 6 Besluit 1/80 als de vreemdeling arbeid heeft verricht tijdens de procedure ter verkrijging (of herkrijging) van een verblijfsvergunning en voor zover hij voor (een deel van) deze periode alsnog een verblijfsvergunning verkrijgt. De IND neemt in ieder geval aan dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt als bedoeld in artikel 6 van Besluit 1/80 als alle wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften in acht zijn genomen en de werknemer dus het recht heeft op Nederlands grondgebied een beroepsactiviteit uit te oefenen. De IND verstaat ook onder 'dezelfde werkgever' als bedoeld in artikel 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80: een uitzendbureau; een inlener; een detacheringsbureau; een bedrijf dat achtereenvolgens door verschillende ondernemingen wordt geëxploiteerd door fusie of overnamen; of een bedrijf dat wegens faillissement wordt overgenomen door een ander bedrijf. De IND gaat ervan uit dat na drie jaar onafgebroken legale arbeid bij dezelfde werkgever het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Besluit 1/80 van toepassing is. De IND past de tijdvakken als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Besluit 1/80 alleen toe op Turkse werknemers die ten minste één jaar, maar minder dan drie jaar legale arbeid hebben verricht bij dezelfde werkgever. Bij toepassing van artikel 6, tweede lid, Besluit 1/80, gaat de IND ervan uit dat op het moment dat de werkzaamheden bij dezelfde werkgever worden hervat, verder wordt gegaan met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid. Op grond van artikel 7, eerste alinea, Besluit 1/80 ontstaat voor het gezinslid van een Turkse werknemer een recht op voortzetting van verblijf als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: het gezinslid is in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming toegelaten tot Nederland of in Nederland is geboren en heeft hier aansluitend verbleven; de Turkse werknemer heeft op enig moment na de toelating van het gezinslid in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming gedurende een periode van drie jaar tot de legale arbeidsmarkt behoord. In deze periode is afwezigheid van de arbeidsmarkt vanwege onvrijwillige werkloosheid van maximaal zes maanden toegestaan; en het gezinslid heeft gedurende die periode van drie jaar onafgebroken bij de Turkse werknemer gewoond waarbij de IND korte legitieme onderbrekingen van het samenleven van niet langer dan zes maanden die niet zijn bedoeld om het samenleven op te geven, gelijkstelt met perioden waarin het gezinslid werkelijk met de Turkse werknemer heeft samengeleefd. De IND verstaat onder korte legitieme redenen in de hiervoor bedoelde zin bijvoorbeeld vakantie of familiebezoek. De IND gaat ervan uit dat na drie jaar onafgebroken rechtmatig verblijf bij een Turkse werknemer het bepaalde in artikel 7, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, Besluit 1/80 van toepassing is. De IND acht het bij de beoordeling of een verblijfsrecht ontstaat op grond van artikel 7, tweede alinea, Besluit 1/80, niet van belang: of de Turkse werknemer op het moment van aanvang van, of gedurende de studie nog steeds legale arbeid verricht of in Nederland woonachtig is; om welke reden het kind aanvankelijk een inreis- en verblijfsrecht is verleend; of op welk niveau de beroepsopleiding is gevolgd. Bij de beoordeling of een recht op verblijf ontstaat op grond van artikel 7 Besluit 1/80 acht de IND het niet relevant of: de Turkse werknemer rechten ontleent of ontleende aan artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80; de werknemer de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, mits de Turkse nationaliteit hierbij behouden is gebleven of daarna is herkregen. De IND verleent de verblijfsvergunning ontleend aan het eerste of het derde streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 onder de beperking: 'arbeid in loondienst'. De IND verleent de verblijfsvergunning aan (ex-)gezinsleden van Turkse werknemers die een recht op verblijf ontlenen aan artikel 7 Besluit 1/80 onder de beperking: 'niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Arbeidsmarktaantekening: De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan het eerste streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 luidt: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder f, VV. Dit is op grond van artikel 7.2 BuWav anders als de vreemdeling in het bezit is (geweest) van een verblijfsvergunning met daarop de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. In dat geval luidt de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV. De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan het derde streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV. De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan artikel 7, Besluit 1/80 luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV. De IND voorziet de verblijfsvergunning die is ontleend aan artikel 6, Besluit 1/80 van de aantekening: ‘Een beroep op de algemene middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. Geldigheidsduur De IND verleent de verblijfsvergunning op grond van artikel 6, Besluit 1/80 voor de duur van de arbeidsovereenkomst met een maximum van vijf jaar, maar in ieder geval voor ten minste één jaar. De IND verleent de verblijfsvergunning die is ontleend aan artikel 7, Besluit 1/80 voor de duur van vijf jaar. Het recht op arbeid en daarmee op verblijf op grond van artikel 6, eerste lid en artikel 7 van Besluit 1/80 gaat in de volgende gevallen verloren: als het verblijfsrecht wordt beëindigd op grond van artikel 14 van Besluit 1/80; bij langdurige afwezigheid zonder gegronde reden uit Nederland; Bovendien gaat het recht op arbeid op grond van artikel 6, eerste lid van Besluit 1/80 verloren: als de Turkse onderdaan niet meer tot de legale arbeidsmarkt behoort. De IND beëindigt het verblijfsrecht van een Turkse werknemer of het gezinslid, als het persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De artikelen 8.22, eerste lid, 8.23 en 8.24 Vb zijn van overeenkomstige toepassing. De IND neemt aan dat geen sprake is van langdurige afwezigheid zonder gegronde reden uit Nederland als de Turkse werknemer of het gezinslid: korter dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven; of Nederland heeft verlaten om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, en hiervan sprake was gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden; of Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht. Als de Turkse werknemer of het gezinslid gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 6 en/of 7 van Besluit 1/80 neemt de IND langdurige afwezigheid en daarmee verlies van de rechten van artikel 6 en/of 7 van Besluit 1/80 aan als de werknemer of het gezinslid in ieder geval twee jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven. De reden van de afwezigheid is niet van belang. De IND neemt in ieder geval aan dat de Turkse vreemdeling niet meer tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort, als hij die arbeidsmarkt definitief heeft verlaten. Hiervan is sprake bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of als de vreemdeling anderszins geen enkele kans meer maakt op re-integratie op de arbeidsmarkt. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is de arbeidsmarkt verlaten, tenzij er nog reële en daadwerkelijke arbeid wordt verricht. De IND neemt verder aan dat de Turkse vreemdeling, die in het bezit is van de rechten van artikel 6 eerste lid, derde streepje van Besluit 1/80, niet meer als werknemer tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort als hij, na het stoppen van de werkzaamheden (ongeacht om welke reden), niet binnen een redelijke termijn nieuw werk in loondienst heeft gevonden. Als de werkzaamheden zijn gestaakt door detentie dan moet binnen een redelijke termijn ná de detentie een nieuwe dienstbetrekking zijn gevonden. De IND hanteert als redelijke termijn een termijn van zes maanden. Er moet sprake zijn van daadwerkelijk zoeken naar werk en een reële kans op werk. De IND verlengt de termijn eenmalig met drie maanden, als er na zes maanden nog geen werk is gevonden, maar er nog wel een reële kans op werk bestaat. De vreemdeling moet na uiterlijk negen maanden werk gevonden hebben. Heeft de Turkse vreemdeling nog geen verblijfsrecht op grond van artikel 6, eerste lid, derde streepje opgebouwd, dan gaan de opgebouwde rechten op grond van artikel 6, eerste lid, eerste streepje verloren, wanneer hij van werkgever verandert of wanneer de werkzaamheden zijn gestopt vanwege een andere reden dan genoemd in artikel 6, tweede lid van Besluit 1/80 (zoals vanwege detentie of vrijwillige werkloosheid). De IND ontzegt het recht op arbeid en daarmee op verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, en op grond van artikel 7, Besluit 1/80, als: de verblijfsvergunning is verleend op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van gegevens, terwijl die gegevens zouden leiden of hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning (fraude); of sprake is van rechtsmisbruik. Artikel 8.25 Vb in combinatie met paragraaf B10/2.8.5 Vc is van overeenkomstige toepassing. De IND ontzegt de rechten op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 7, Besluit 1/80, met terugwerkende kracht, als zij zijn verkregen op grond van fraude of rechtsmisbruik. De IND beschouwt in ieder geval als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van legale arbeid: het registratiebericht Melding Sociale Voorzieningen; arbeidscontracten; en jaarloonopgaven. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van daadwerkelijk naar werk zoeken: een bewijs van inschrijving bij het UWV WERKbedrijf vanaf het moment dat de vreemdeling vrijwillig werkloos is geworden; en sollicitatiebrieven voor passende functies en reacties daarop van de beoogde werkgevers. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van een reële kans op werk een brief van een beoogde werkgever waaruit blijkt dat de sollicitatieprocedure wordt voortgezet. De IND beschouwt in ieder geval als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van onafgebroken en daadwerkelijk samenwonen: een afschrift uit de BRP waaruit de verblijfshistorie blijkt; aan het gezinslid geadresseerde post waaruit dit blijkt; en aan de werknemer geadresseerde post waaruit dit blijkt. De IND beschouwt als bewijsmiddel van het behoud of de herkrijging van de Turkse nationaliteit na naturalisatie tot Nederlander: een Turks paspoort of een Turkse identiteitskaart (Nüfus), afgegeven ná de naturalisatie tot Nederlander; of een verklaring van de Turkse autoriteiten waaruit het behoud of de herkrijging van de Turkse nationaliteit blijkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel