Indien een ambtenaar in de uitoefening van zijn functie een norm heeft overschreden waarbij het vermoeden bestaat dat daarmee een strafbaar feit is gepleegd moet passend (kunnen) worden gereageerd. Daarvoor is belangrijk dat de dienstleiding snel, maar zorgvuldig en ondubbelzinnig wordt geïnformeerd. Op basis van die informatie wordt namelijk beslist of er aangifte van het feit bij het Openbaar Ministerie wordt gedaan. Op grond van diezelfde informatie wordt tevens besloten of en zo ja, welke maatregelen op het disciplinaire vlak moeten worden genomen. De vorm en inhoud van de reactie worden bepaald door de aard en ernst van de schending van de gestelde norm. De beleidsuitgangspunten van deze gedragslijn zijn:
het op zorgvuldige wijze invulling geven aan de plicht en de bevoegdheid tot het doen van aangifte;
snelle informatie van de dienstleiding, zodat centraal overzicht bestaat op zaken waarbij het functioneren van de Belastingdienst in het geding is of in het geding kan komen;
een duidelijk en kenbaar beleid, in het belang van de ambtenaar en de Belastingdienst;
een adequate reactie van de dienstleiding.
In bepaalde gevallen bestaat er een wettelijke plicht om van een strafbaar feit aangifte te doen. Het gaat daarbij om de delicten die zijn omschreven in de artikelen 160 en 162 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 160 verwijst naar misdrijven tegen de staatsveiligheid, misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en misdrijven tegen het leven gericht. Dit zijn bijzonder zware misdrijven zoals moord of aanslagen gericht tegen regering en/of staatshoofd. In het kader van de gedragslijn zal de aangifteplicht veeleer zijn grondslag vinden in de misdrijven die zijn omschreven in artikel 162.
Artikel 162 benoemt de volgende drie categorieën misdrijven: de ambtsmisdrijven opgenomen in artikel 355 tot en met 380 van het Wetboek van Strafrecht, misdrijven waarbij een bijzondere ambtsplicht is geschonden of gebruik is gemaakt van de macht of middelen die het ambt de ambtenaar schenkt en misdrijven waarbij inbreuk of onrechtmatig gebruik is gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering aan de desbetreffende ambtenaar is opgedragen.
Daarnaast bestaat op grond van artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering voor een ieder de bevoegdheid aangifte te doen van een strafbaar feit.
Het is van het grootste belang dat met deze wettelijke verplichting en bevoegdheid zorgvuldig wordt omgegaan. Daarbij ligt het voor de hand dat niet zonder meer wordt overgegaan tot het doen van aangifte maar dat eerst een toetsing van het gebeurde plaats heeft. Duidelijk moet echter zijn dat er voor bepaalde misdrijven (de ‘artikel 160 en 162-misdrijven’) geen ruimte is voor een keuze. Van die delicten moet te allen tijde aangifte worden gedaan.
Iedere medewerker die in aanraking komt met een voorval waarbij sprake kan zijn van het begaan van een strafbaar feit meldt dit bij het hoofd van de eenheid. Het hoofd van de eenheid kan op grond van die melding overgaan tot het instellen van een feitenonderzoek. Het beoordelen van een complex van gedragingen op strafrechtelijke normoverschrijding is echter ingewikkeld. Die ingewikkeldheid is met name het gevolg van het bestaan van gemengde delicten.
Teneinde een juiste en zorgvuldige belangenafweging te waarborgen, wordt geen aangifte gedaan voordat de aangelegenheid is voorgelegd aan de dienstleiding. De kwestie wordt daartoe door het hoofd van de eenheid gemeld bij de directeur BOB. De directeur BOB informeert, na overleg met de FIOD en de Directie Personeels- en Arbeidsvoorwaardenbeleid Belastingdienst (PAB), terstond de directeur-generaal Belastingdienst. Zie in dit kader de meldingsprocedure, beschreven in hoofdstuk 3.
De gang van zaken bij fiscale delicten begaan door een belastingplichtige (aanmelding, selectie en tripartiete-overleg) is beschreven in het Voorschrift fiscaalstrafrechtelijke bepalingen. Indien een (zuiver of gemengd) fiscaal delict is begaan, wordt dat voorgelegd in het tripartiete-overleg. Omdat het mogelijk is dat het begaan van een fiscaal delict door een ambtenaar samenvalt met een ander (ambts)misdrijf, is daarnaast de meldingsprocedure van deze gedragslijn van toepassing. Dat betekent dat de zaak, naast de aanmelding conform het Voorschrift fiscaalstrafrechtelijke bepalingen, ook wordt gemeld aan BOB teneinde te bepalen of aangifte bij het OM dient te worden gedaan.
Indien sprake is van een uitsluitend disciplinaire overtreding of van een strafbare schending van een norm in de privé-sfeer, handelt het hoofd van de eenheid overeenkomstig het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst. Dat betekent dat indien geconstateerd is dat sprake is van plichtsverzuim, aan de ambtenaar een disciplinaire straf kan worden opgelegd. Gedragingen in privé worden aangemerkt als plichtsverzuim indien daardoor de belangen van de dienst zijn geschaad dan wel de dienst daarvan nadeel heeft ondervonden.
Is door de gebeurtenis het functioneren van de Belastingdienst in het geding of wordt de gebeurtenis vermoedelijk tot onderwerp van publiciteit gemaakt, dan dient melding van het voorval conform het Voorschrift buitengewone voorvallen plaats te vinden bij de directeur BOB. Het Voorschrift buitengewone voorvallen is daarnaast van toepassing op de daarin (niet-limitatief) beschreven gebeurtenissen zoals het vermoeden van een fiscaal misdrijf begaan door de ambtenaar in privé.
In bepaalde gevallen zal naar de gedragingen van de ambtenaar een strafrechtelijk onderzoek moeten worden gedaan. Als het Openbaar Ministerie na de aangifte beslist tot een dergelijk onderzoek, geeft het aan welke opsporingsinstantie daarmee wordt belast.
Artikel 2
Beleidsuitgangspunten
Onderdeel van Gedragslijn bij strafbare feiten begaan door ambtenaren van de Belastingdienst in functie· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 7 maart 2001