Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Procedure

Onderdeel van Gedragslijn bij strafbare feiten begaan door ambtenaren van de Belastingdienst in functie· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 7 maart 2001

Indien er aanwijzingen zijn van onoorbaar of ontoelaatbaar gedrag op strafrechtelijk en/of disciplinair gebied, licht de Belastingdienstmedewerker die daarmee in aanraking komt, onverwijld het hoofd van de eenheid in. Zodra sprake lijkt te zijn van een strafbare overtreding van een norm begaan door een ambtenaar in functie, of indien onduidelijkheid bestaat over het karakter van de gedraging, legt het hoofd van de eenheid de kwestie voor aan de directeur BOB. Hij licht tezelfdertijd tevens zijn directeur in. Indien (nog) niet voldoende gegevens voorhanden zijn, kan onder verantwoordelijkheid van het hoofd van de eenheid een feitenonderzoek plaatsvinden. Dit onderzoek dient voortvarend te worden gestart en mag niet te lang duren. De FIOD kan daarbij een ondersteunende rol vervullen. Indien het feitenonderzoek leidt tot aanwijzingen die voor het Openbaar Ministerie onvoldoende zijn voor strafvervolging kan in daartoe aanleiding gevende gevallen wel tot disciplinaire maatregelen worden besloten. De directeur BOB licht, na overleg met de FIOD en de Directie PAB, de directeur-generaal Belastingdienst in. De directeur BOB adviseert waar nodig het hoofd van de eenheid met betrekking tot het doen van aangifte (paragraaf 3.5) en een eventueel verzoek om ontheffing van de geheimhoudingsplicht (paragraaf 3.6). De aangifte wordt, voor zover nodig, door het hoofd van de eenheid gedaan bij het Openbaar Ministerie. De FIOD kan daarbij een ondersteunende rol spelen. Met het OM wordt overleg gevoerd over de te volgen handelwijze. Alle beschikbare informatie over een belastingplichtige valt onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR. Verstrekking van die informatie voor een ander doel dan uitvoering van de belastingwetten is slechts mogelijk indien daartoe een wettelijke verplichting bestaat of door de staatssecretaris ontheffing van de geheimhoudingsplicht is verleend. In het eerste geval is geen ontheffing nodig. De wettelijke verplichting wordt gevormd door de aangifteplicht van de in art. 160 en 162 van het Wetboek van Strafvordering omschreven misdrijven. Bij een schriftelijk verzoek om informatie van de Officier van Justitie behoeft evenmin ontheffing te worden verzocht. Wel dient in al deze gevallen een belangenafweging plaats te vinden. Individuele ontheffing van de geheimhoudingsplicht is wel vereist indien gegevens van belastingplichtigen worden gebruikt ter uitvoering van onderzoek naar een disciplinaire overtreding. Het verzoek om ontheffing wordt voorgelegd aan de directeur BOB. De directeur BOB zendt een afschrift van de beschikking aan de desbetreffende directeur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel