Het centraal schriftelijk examen is voor de vier beeldende vakken gelijk en bedraagt 40 tot 45 vragen, verdeeld over 3 tot 5 opgaven.
Er is een duidelijk relatie tussen het gemeenschappelijk thema van het CPE en het CSE.
De opgaven en vragen worden evenwichtig over de verschillende beeldende disciplines verdeeld.
In het CSE komen beeldende kunst en vormgeving aan bod op het gebied van:
Tweedimensionale autonome en toegepaste beeldende kunst en vormgeving en audiovisuele vormgeving
Driedimensionale autonome en toegepaste beeldende kunst en vormgeving en audiovisuele vormgeving
De vragen in het CSE zijn overwegend kunstbeschouwelijk van aard.
In het CSE wordt het proces van werken van kunstenaars en vormgevers, bv. in de vorm van studies en schetsen, betrokken.
Het CSE bestaat overwegend uit open vraagvormen.
Er kunnen gesloten vragen voorkomen. Deze vragen hebben de vorm van meerkeuze vragen waarbij de kandidaat uit 3 tot 4 alternatieven kan kiezen.
In het CSE worden geen vragen gesteld die vakspecifieke kennis vereisen.
De tijdsduur voor het CSE bedraagt 2 uur.
Artikel 2
CSE
Onderdeel van Centraal examen beeldende vakken 2 voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) ingaande 2003· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2002