Als bij een nabestaandenlijfrente de verzekerde persoon overlijdt, expireert de in de polis genoemde rekengrootheid voor de uitkering van de lijfrente. Indien een begunstigde voor een nabestaandenlijfrente afziet van de lijfrente op het moment dat de uitkeringen moeten gaan lopen en in de plaats daarvan voor een uitkering ineens kiest, tot welk bedrag worden dan fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking genomen?
Als een begunstigde van een nabestaandenlijfrente na het overlijden in plaats van een nabestaandenlijfrente kiest voor een uitkering ineens, dan wordt dit aangemerkt als een afkoop van de nabestaandenlijfrente. Een dergelijk afkoop van een nabestaandenlijfrente wordt geacht een afkoop van een ingegane nabestaandenlijfrente te zijn. Een nabestaandenlijfrente moet immers direct bij het overlijden ingaan. Als negatieve persoonlijke verplichting worden in aanmerking genomen de premies voor de nabestaandenlijfrente die voor aftrek als persoonlijke verplichting in aanmerking zijn gekomen. Ingevolge art. 45c, vierde lid, Wet IB 1964 wordt het in aanmerking te nemen bedrag van de premies beperkt tot de waarde in het economisch verkeer van de lijfrente als de termijnen van het recht zijn ingegaan.
Er is een combinatie van een oudedags- en een nabestaandenlijfrente afgesloten. De premie die toe te rekenen is aan de oudedagslijfrente bedraagt 8.000 en de premie die toe te rekenen is aan de nabestaandenlijfrente bedraagt 2.000. De premie is geheel als persoonlijke verplichting in aanmerking genomen. Als de begunstigde na het overlijden van de verzekerde de nabestaandenlijfrente afkoopt, tot welk bedrag worden dan fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking genomen? En op welke wijze wordt de afkoopsom belast?
Ter zake van de fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen geldt het volgende. Voor de toepassing van art. 45c, tweede lid, Wet IB 1964 en art. 30d, derde lid, AWR wordt uitsluitend rekening gehouden met ( het deel van) de premie die (dat) is betaald voor de aanspraak waarmee een handeling plaatsvindt als bedoeld in art. 45c, tweede lid, Wet IB 1964. Het antwoord op de vraag is dan dat ten gevolge van de afkoop van de nabestaandenlijfrente 2.000 als fictieve negatieve persoonlijke verplichting in aanmerking wordt genomen. Zou de waarde in het economisch verkeer van de nabestaandenlijfrente lager zijn dan 2.000, dan is het bedrag van de fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen beperkt tot dit lagere bedrag.
Ook ter zake van de belastingheffing over de afkoopsom wordt bij de toepassing van art. 25, eerste lid, onderdeel g, Wet IB 1964 uitsluitend rekening gehouden met de premie die is betaald voor de aanspraak waaruit de uitkering voortvloeit.
In art. 45c, tweede lid, Wet IB 1964 is bepaald dat, voor zover hier relevant, als negatieve persoonlijke verplichting in aanmerking worden genomen premies die voor aftrek als persoonlijke verplichting in aanmerking zijn gekomen. Gaat het hierbij om premies die in aftrek zijn gebracht als persoonlijke verplichting of om premie die in aftrek konden worden gebracht binnen de mogelijkheden van art. 45a Wet IB 1964?
Ingevolge de systematiek van de Wet IB 1964 gaat het om de premies die voor aftrek in aanmerking konden komen. Er zij op gewezen dat als premies niet daadwerkelijk in aftrek zijn gebracht, op grond van het Besluit van 29 juni 1990, BNB1990/341 tot vijf jaren terug op verzoek ambtshalve vermindering wordt verleend. Voor oudere jaren wordt ervan uitgegaan dat de betaalde premies als persoonlijke verplichting in aftrek zijn gebracht. Eerst indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de premies niet in aftrek zijn gekomen, geldt op grond van het besluit de zogenoemde verruimde saldomethode. In het verlengde daarvan is het redelijk die niet-afgetrokken premies onder dezelfde voorwaarden niet voor de berekening van de fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking te nemen.
In het Besluit van 17 mei 1999, nr. DB99/1435M, is onder meer als beleidsstandpunt uitgedragen dat lijfrentepremies betaald binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar van emigratie mogen worden ‘teruggewenteld’ naar de periode van binnenlandse belastingplicht van dat kalenderjaar. Als nu een belastingplichtige is geëmigreerd per 1 april 2000 en hij betaalt lijfrentepremies per 1 mei 2000, mogen dan die premies worden teruggewenteld naar het jaar 1999?
Ja, de ratio van de in het besluit getroffen regeling brengt mee dat in deze situatie de premies mogen worden teruggewenteld naar het jaar 1999, een jaar derhalve waarin uitsluitend sprake is geweest van binnenlandse belastingplicht.
Als een buitenlandse belastingplichtige op grond van het Besluit van 17 mei 1999, nr. DB99/1435M, lijfrentepremies wenst af te trekken, hoe moeten dan de diverse factoren van de tweede en derde tranche van de lijfrentepremie-aftrek van art. 45a Wet IB 1964 worden ingevuld?
Indien sprake is van terugwenteling naar de periode van binnenlandse belastingplicht, dan dienen uitsluitend de relevante elementen uit die binnenlandse periode in aanmerking te worden genomen. Indien het betreft de periode van de buitenlandse belastingplicht waarin voldaan wordt aan de voorwaarden van de zogenoemde 90%-regeling dan kunnen uiteraard ook de relevante elementen uit de buitenlandse periode worden meegenomen. Voor buitenlandse belastingplichtigen gaat het bij de vaststelling van het persoonlijke inkomen om de bestanddelen die onderdeel uitmaken van de buitenlandse belastingplicht op grond van art. 49 Wet IB 1964. Voor de overige factoren van het tweede en derde lid moet zoveel mogelijk een vertaalslag plaatsvinden naar de Nederlandse equivalent van de diverse factoren. Voor bij voorbeeld pensioenen is dit ook expliciet geduid in art. 3, zesde lid, onderdeel c, Uitvoeringsbesluit IB 1964.
De regeling van de lijfrentepremie-aftrek voor buitenlandse belastingplichtigen vindt plaats op grond van het besluit en is niet gebed in de zogenoemde 90%-regeling. Betekent deze omstandigheid dat degenen die gebruik maken van de zogenoemde 35%-regeling en die geopteerd hebben voor buitenlandse belastingplicht, recht hebben op de mogelijkheid van lijfrentepremie-aftrek?
Ja, deze conclusie is juist.
In een overeenkomst is de navolgende periodieke uitkering bedongen: verzekerd is een periodieke uitkering ingaande 1 januari 1999 lopende tot 1 januari 2010 of eerder eindigend bij het laatste overlijden van verzekerden A en B (echtgenote van A).
Hoe moet de sterftekans worden bepaald, ter beoordeling of voldaan is aan het onzekerheidscriterium waar een periodieke uitkering aan moet voldoen?
De periodieke uitkering bestaat voor de bepaling van het onzekerheidscriterium uit een periodieke uitkering die toekomt aan A en een periodieke uitkering die toekomt zijn echtgenote. Iedere uitkering op zich dient te voldoen aan het onzekerheidsvereiste. De sterftekans dient voor beide periodieke uitkeringen bepaald te worden over de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2010, uitgaande van de meest recente sterftetabellen. Dat de periodieke uitkering die toekomt aan de echtgenote pas ingaat bij het overlijden van A kan voor de bepaling van de sterftekans buiten beschouwing blijven.