Elk vissersvaartuig dat zich op zee bevindt is in staat om:
noodalarmering van het vaartuig naar de wal te verzenden met ten minste twee verschillende, van elkaar onafhankelijke installaties, met gebruikmaking van gescheiden radiocommunicatie systemen, uitgezonderd in de omstandigheid, bedoeld in artikel 9.7, eerste lid, onder a, en artikel 9.9, eerste lid, onder d, 3°,
noodalarmering van de wal naar het vaartuig te ontvangen,
noodalarmering van vaartuig naar vaartuig te verzenden en te ontvangen,
berichtgeving betreffende opsporings- en reddingscoördinatie te verzenden en te ontvangen,
berichtgeving op locatie te verzenden en te ontvangen,
de signalen ten behoeve van het opsporen van schepen, vissersvaartuigen, luchtvaartuigen of personen in nood te verzenden en, door middel van de in artikel 10.3, zesde lid, voorgeschreven radarapparatuur, te ontvangen,
maritieme veiligheidsinformatie te verzenden en te ontvangen,
algemene radioberichtgeving naar of van radiosystemen of netwerken aan de wal, te verzenden en te ontvangen, en
berichtgeving van brug tot brug te verzenden en te ontvangen.
Het bepaalde in artikel 6.14, zesde lid, en artikel 6.15, eerste
lid, tweede volzin, en vierde lid, voor vissersvaartuigen,
gebouwd voor 23 november 1995, treedt in werking met ingang van
23 november 2002.
Hoofdstuk 9 › § 1
Artikel 9.4
Functionele eisen
Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit 2002· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 20 februari 2002