Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 5

Artikel 31

Artikel 31

Onderdeel van Bemanningsbesluit Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 februari 2002

1. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 19, eerste lid of artikel 33, tweede lid, in, indien uit een onderzoek naar de bekwaamheid, bedoeld in artikel 30, tweede lid, blijkt dat de houder niet meer voldoet aan de in Hoofdstuk 4 bedoelde beroepsvereisten. 2. Een vaarbevoegdheidsbewijs kan door het hoofd van de Scheepvaartinspectie voorts worden ingetrokken, indien is gebleken dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn opgegeven, dan wel dat valse of vervalste documenten zijn overgelegd. 3. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, ter voorkoming van een noodsituatie of gevaar voor het scheepvaartverkeer, de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs voor ten hoogste 24 uur een verbod opleggen aan boord van een schip een functie uit te oefenen of werkzaamheden te verrichten. 4. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 33, tweede lid, in, indien de geldigheid van het buitenlandse diploma, kennisbewijs of bevoegdheidsbewijs op grond waarvan dat vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven, door of vanwege de bevoegde buitenlandse autoriteit is geschorst of beëindigd. 5. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt de bevoegde buitenlandse autoriteit in kennis van de toepassing van het eerste of tweede lid van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel