Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 6

Artikel 32

Artikel 32

Onderdeel van Bemanningsbesluit Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 februari 2002

1. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ten aanzien van een bemanningslid voor een bepaald schip en voor een periode van ten hoogste zes maanden ontheffing verlenen van de in artikel 31, eerste lid, bedoelde verplichting om in het bezit te zijn van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, indien: er onvoldoende bemanningsleden, in het bezit van de vereiste kwalificaties, voorhanden zijn, het desbetreffende bemanningslid in het bezit is van het vaarbevoegdheidsbewijs, dat is vereist voor de relevante lagere functie, en het schip de voorgenomen reis met de aan boord aanwezige bemanning kan maken zonder gevaar voor het schip of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart. 2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de functie van kapitein of hoofdwerktuigkundige slechts gegeven in zeer bijzondere omstandigheden, die niet het gevolg zijn van het handelen of het nalaten te handelen van de zijde van de scheepsbeheerder, en indien gedurende korte tijd de vervulling van die functie door een bemanningslid met een lagere bevoegdheid noodzakelijk is voor de voortzetting van de reis, terwijl de veiligheid van het schip en de opvarenden, de veilige vaart ter zee en de bescherming van het mariene milieu zijn gewaarborgd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel