Bij het hiernavolgende wordt er ten aanzien van de onder categorieën 1 en 2 vallende EU-fellows van uitgegaan dat zij:
werkzaam zijn bij de Nederlandse universiteiten op basis van een ambtelijke aanstelling of een arbeidscontract, dan wel op basis van een zogenaamde aanwezigheidsovereenkomst;
geen inkomsten (uit onderzoekswerkzaamheden) ontvangen op grond van een dienstbetrekking in het buitenland, maar alleen inkomsten ontvangen van de Nederlandse universiteit;
hun onderzoek verrichten in het algemeen belang en zich niet bezighouden met het geven van onderwijs.
Op de onder categorie 3 vallende EU-fellows, welke categorie van beperkte omvang is en waarvan in het algemeen kan worden gesteld dat er niet snel sprake is van binnenlandse belastingplicht, wordt hierna niet ingegaan. Mocht zo’n situatie zich voordoen, dan dient de desbetreffende EU-fellow zich omtrent zijn fiscale positie in Nederland te verstaan met de bevoegde inspecteur.
De fiscale behandeling van EU-fellows is afhankelijk van de factoren woonplaats (punt 4), dienstbetrekking en inhoudingsplicht (punt 5), vrije vergoedingen (punt 6) en het wel of niet van toepassing zijn van een belastingverdrag (punten 7, 8 en 9).
Artikel 3
Belastingheffing
Onderdeel van Belastingheffing van EU-fellows werkzaam bij Nederlandse universiteiten en woonachtig in/afkomstig uit een van de EU-landen/EER-landen of een aangewezen ander land· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2002