Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de EU-fellow in Nederland woont. De vraag waar iemand woont, moet ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen naar de omstandigheden worden beoordeeld. Factoren die hierbij van belang zijn, zijn onder meer de plaats waar het gezin verblijft, het al dan niet aanhouden van een woning in het buitenland, het al dan niet aanhouden van financiële of economische banden met het buitenland en de duur van het verblijf in Nederland. Hierbij kunnen onderstaande richtlijnen worden gehanteerd:
woonplaats in Nederland:
indien de EU-fellow met partner/kind(eren) voor een periode van meer dan een jaar naar Nederland komt;
indien een ongehuwde EU-fellow de woning in de zendstaat opgeeft.
woonplaats niet in Nederland:
indien de partner/kind(eren) van de EU-fellow in de zendstaat achterblijven;
indien de EU-fellow de woning in de zendstaat aanhoudt en daar ieder weekend verblijft.
Desalniettemin zal de vaststelling van de woonplaats van geval tot geval door de bevoegde inspecteur dienen te geschieden. De vermelde richtlijnen hebben niet de strekking af te wijken van het wettelijke woonplaatsbegrip maar beogen alleen aan de hand van eenvoudige en bruikbare criteria een uniforme gedragslijn te scheppen.
Indien een bepaalde fellow naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland woont, wordt in dit verband aan een eventuele verdragstoepassing niet toegekomen. Van belang zijn dan slechts de vragen of er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking en of een deel van de beloning als vrije vergoeding kan gelden.
Artikel 4
Woonplaats
Onderdeel van Belastingheffing van EU-fellows werkzaam bij Nederlandse universiteiten en woonachtig in/afkomstig uit een van de EU-landen/EER-landen of een aangewezen ander land· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2002