De hoofdcurator kan op grond van artikel 34, eerste lid, van de verordening interveniëren in een secundaire procedure, voorzover het recht van de lidstaat voorziet in een beëindiging van deze secundaire procedure zonder liquidatie door middel van een herstelplan of een akkoord of een vergelijkbare maatregel. De Faillissementswet biedt die mogelijkheid aan de schuldenaar zelf in de artikelen 138 en 252 en 329. Gegeven die mogelijkheid, vloeit uit het eerste lid van artikel 34 voort dat ook de curator in de hoofdprocedure van die regels gebruik kan maken en een akkoord kan aanbieden (vgl. ook het rapport Virgos-Schmit, nr. 248). Een nadere regeling wordt op dit punt derhalve niet getroffen.
Het vereiste van instemming van de hoofdcurator met een eventueel einde van de secundaire procedure wordt evenmin geregeld in de wet, want ook dat vloeit rechtstreeks voort uit de verordening (artikel 34, eerste lid, tweede volzin). Een en ander betekent in de praktijk dat wanneer de schuldenaar in een secundaire procedure een akkoord aangeboden heeft, hetzij in faillissement of surseance, hetzij in de schuldsaneringsregeling, en de schuldeisers het akkoord aannemen, de rechtbank dit akkoord niet kan bekrachtigen (homologeren) indien de curator in de hoofdprocedure zijn instemming weigert. Wel is het noodzakelijk om een regeling te treffen voor het verwante geval dat de curator in de hoofdprocedure weliswaar niet uitdrukkelijk weigert, maar evenmin uitdrukkelijk instemt. Een rechterlijke instantie zal dan hebben te oordelen over de (op grond van artikel 34, eerste lid, tweede volzin, te beantwoorden) vraag of de desbetreffende beëindiging de financiële belangen van de schuldeisers van de hoofdprocedure aantast. Daartoe zal artikel 153 Fw duidelijkheidshalve worden aangevuld met een vierde (imperatieve) weigeringsgrond van de homologatie. Om redenen van duidelijkheid is daarbij ook het hiervoor genoemde geval opgenomen dat de hoofdcurator zijn instemming uitdrukkelijk onthoudt. De verdere rechtsgang vloeit voort uit de daaropvolgende bepalingen. Een overeenkomstige regeling is voor de weigering van de homologatie van een akkoord in de surseance getroffen in artikel 272, tweede lid, vijfde onderdeel, Fw. De schuldsaneringsregeling behoeft, gezien de reeds bestaande verwijzing in artikel 338, tweede lid, Fw, niet te worden aangepast. Op grond van de verordening zal de rechtbank ook thans, vooruitlopend op het wetsvoorstel, homologatie moeten weigeren indien de curator in de hoofdprocedure zich niet duidelijk daarover uitlaat en de rechtbank van oordeel is dat de beëindiging de financiële belangen van de schuldeisers aantast.
Artikel 11
Beëindigingsverzoek hoofdcurator
Onderdeel van Circulaire Inwerkingtreding EG-Insolventieverordening· Insolventierecht
Deze tekst geldt sinds 27 augustus 2002