Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Beëindiging van de bekostiging/ opheffing van een school als niet meer wordt voldaan aan één van de drie uitzonderingsbepalingen

Onderdeel van Instandhoudingsbeleid basisonderwijs· Onderwijsrecht

Deze tekst geldt sinds 30 juli 2003

Vanwege regelmatig terugkomende vragen hierover, wil ik langs deze weg informatie verstrekken over de essentie van het wettelijk systeem van bekostiging. De hoofdregel staat voor basisscholen in art.153 WPO. Deze hoofdregel houdt in dat de bekostiging van de school wordt beëindigd of de school wordt opgeheven als het aantal leerlingen van de school gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren minder heeft bedragen dan het wettelijk vereiste aantal. Als de school 3 achtereenvolgende schooljaren niet aan de wettelijke opheffingsnorm heeft voldaan, kan beëindiging van de bekostiging dan wel opheffing alleen worden voorkomen indien één van de 3 uitzonderingsbepalingen op de school van toepassing is. Deze uitzonderingsbepalingen zijn: art.153, vierde lid WPO : de school telt ten minste 50 leerlingen en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is binnen een straal van 5 kilometer de laatste school van de richting onderscheidenlijk de laatste openbare school; art.153, vijfde lid WPO : binnen 10 kilometer van een school waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven is over de weg gemeten geen school aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs bestaat behoefte; art.157 WPO : toepassing van de systematiek van de gemiddelde schoolgrootte, indien de school ten minste 23 leerlingen telt al dan niet tezamen met een in dat artikel bedoelde samenwerkingsovereenkomst. Als een bevoegd gezag meent dat er sprake is van één van deze uitzonderingssituaties dan moet hij dat voor 1 februari voorafgaand aan de datum voor beëindiging van de bekostiging dan wel opheffing schriftelijk aan het ministerie mededelen. Het tijdig doen van deze mededeling is essentieel. Laat een bevoegd gezag dit na dan wordt de bekostiging beëindigd dan wel de school opgeheven. Alleen als de garantiefunctie van het openbaar onderwijs in het geding is, is het tijdig doen van de mededeling dat er sprake is van een uitzonderingssituatie niet van belang. Als een school 3 achtereenvolgende schooljaren niet aan de wettelijke opheffingsnorm heeft voldaan, moet handhaving van de bekostiging op grond van een der uitzonderingsbepalingen dus elk jaar opnieuw worden beoordeeld. Wordt niet voldaan aan één van de wettelijke vereisten voor toepassing van de uitzonderingsbepalingen dan wordt direct de bekostiging beëindigd dan wel de school opgeheven met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar. Tenslotte wil ik kort nog de procedure rond de instandhouding van basisscholen / nevenvestigingen onder de aandacht brengen omdat mij ieder jaar opnieuw blijkt dat schoolbesturen zich onvoldoende bewust zijn van de gevolgen van het niet of niet tijdig indienen van een verzoek. Kort samengevat luidt de procedure als volgt: vóór 1 januari ontvangt het schoolbestuur dat het aangaat een schriftelijke mededeling over de opheffing van de school per 1 augustus daar op volgend; vóór 1 februari dient het schoolbestuur het verzoek tot instandhouding in en vóór 1 mei wordt het schoolbestuur in kennis gesteld van het besluit op dat verzoek. Dezelfde procedure geldt ook voor nevenvestigingen basisonderwijs.

Rechtspraak bij dit artikel