In het verlengde van de hierboven besproken wetswijziging past ook een wijziging van artikel 157 van de Wet op het primair onderwijs. Het artikel voor de wetswijziging bepaalt dat de bekostiging niet zal worden beëindigd dan wel een school niet zal worden opgeheven, als onder meer de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van het bevoegde gezag voldoet aan bepaalde wettelijke vereisten en als de betreffende school door ten minste 23 leerlingen wordt bezocht.
De aanpassing van dit artikel bestaat eruit dat bij de bepaling van de gemiddelde schoolgrootte niet meetellen de door het bevoegd gezag aangegeven scholen die maximaal vijf schooljaren rijksbekostiging genieten en die nog niet volgroeid zijn (dat wil zeggen: nog niet aan de stichtingsnorm hebben voldaan op basis waarvan zij voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht).
Belangrijke voorwaarde voor het niet meetellen van bedoelde basisscholen bij de berekening van de gemiddelde schoolgrootte is, dat het schoolbestuur tijdig heeft gemeld dat die scholen buiten beschouwing moeten blijven. Tijdig wil in dit kader zeggen vóór 1 februari voorafgaand aan de datum voor de beëindiging van de bekostiging dan wel de opheffing van de school, een en ander te zamen met de mededeling ex artikel 160, tweede lid, van de wet, dat er sprake is van een uitzonderingssituatie.
Ik merk hierbij nog op dat het niet meetellen zoals hierboven besproken, uiteraard ook geldt als een schoolbestuur een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 157 van de wet, heeft gesloten en bij dreigende beëindiging van de bekostiging of opheffing van een school, tijdig een beroep doet op die overeenkomst.
Artikel 3
Het buiten beschouwing laten van een nieuwe basisschool bij de berekening van de gemiddelde schoolgrootte
Onderdeel van Instandhoudingsbeleid basisonderwijs· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 30 juli 2003