Het door de student zelf betalen van collegegeld wordt gezien als een signaal dat de student de intentie heeft om onderwijs te volgen. In een aantal gevallen hebben studenten hun collegegeld niet zelf betaald. Dit kan om verschillende redenen zijn gebeurd, bijvoorbeeld omdat de student in een moeilijke financiële positie zit. In sommige gevallen wordt het collegegeld daarom via een speciaal (nood)fonds door de instelling betaald.
Sommige studenten kunnen ondersteuning krijgen: afstudeersteun (dat is geregeld in artikel 7.51 van de WHW). Als studenten aan de in de wet genoemde voorwaarden voldoen moet de instelling hen afstudeersteun betalen. Als hiervoor een fonds is ingesteld, en het geld in dat fondskomt uit de rijksbijdrage, dan is dat geld doelmatig besteed.
Echter, naast dit fonds voor afstudeersteun mag een instelling ook een eigen (nood)fonds vormen, waaruit het collegegeld voor specifieke studenten betaald wordt. Het geld in dit fonds mag echter niet uit de rijksbijdrage komen.
Het wetsvoorstel Korte Klap bevat een aantal r5regelingen omtrent de betaling van collegegeld:
De instelling moet de rijksbijdrage doelmatig besteden. Van niet-doelmatige besteding van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake als bedragen daaruit worden gebruikt voor het op enige manier compenseren van het door studenten betaalde collegegeld, respectievelijk examengeld.
Collegegeld mag namens een student (door derden) worden betaald, mits de student schriftelijk verklaart dat hij hiermee instemt. Op de inschrijfformulieren zal de student dat aan moeten kunnen geven. De aangepaste inschrijfformulieren zullen met ingang van 1 september 2004 worden gebruikt.
Door bovenstaande uitspraken is vervolgens helder hoe de instelling dient te handelen als het om een eigen (nood)fonds gaat.
Deze uitspraken gelden vanaf 1 september 2004.
Artikel 6
Thema 5
Onderdeel van Notitie 'Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs'· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 28 januari 2004