De berekening van de premies OP/NP, IPbw en FPU vindt plaats over het pensioengevend inkomen, verder aan te duiden als jaarinkomen ABP. Het jaarinkomen ABP wordtvastgesteld op 1 januari van een jaar of bij de indiensttreding aan de hand van de beloningscomponenten waar betrokkene aanspraak op maakt en die op dat moment pensioengevend zijn. Pensioengevend zijn onder meer het salaris, de vakantietoeslag, de uitlooptoeslag, de bindingstoelage, het structurele deel van de 13e maand en eventueel een door de werkgever toegekende toelage die pensioengevend is. In het Pensioenakkoord is overeengekomen dat variabele beloningen vanaf 1 januari 2004 mee kunnen tellen voor de vaststelling van het jaarinkomen ABP in het daaropvolgende jaar. Op een later tijdstip zal ik aangeven om welke beloningen het gaat.
Vanaf 1 januari 2004 geldt voor de berekening van het jaarinkomen voor de 13e maand 3,48%. Bij de vaststelling van jaarinkomen voor een BWOO-uitkering wordt rekening gehouden met 1,95%.
De centrales van overheidspersoneel stellen de hoogte van het percentage voor de vaststelling van het jaarinkomen per 1 januari 2004 nog nader aan de orde in een komend overleg met OCW.
Regelmatig worden mij vragen gesteld over de vaststelling van het jaarinkomen ABP. In bijlage IV treft u daarom een voorbeeld aan hoe het jaarinkomen ABP voor een betrokkene in actieve dienst wordt vastgesteld. Daarnaast treft u in Bijlage V een schema aan van het bruto-netto traject per maand en een schema over de vaststelling van de werkgeverslasten per maand met ingang 1 januari 2004.
Artikel 3
Hoogte percentage 13e maand voor vaststelling pensioengevend inkomen
Onderdeel van Financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2004· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 11 februari 2004