Een uitbetalende instantie kan op grond van de hier verleende goedkeuring de identiteit en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde op grond van artikel 4, eerste lid, van de WID vaststellen aan de hand van een afschrift van het paspoort of de officiële identiteitskaart of – waar het de vaststelling van de woonplaats betreft – aan de hand van een afschrift van een ander door de uiteindelijk gerechtigde overgelegd bewijskrachtig document. Indien de identiteit op de hier beschreven wijze wordt vastgesteld, gaat de uitbetalende instantie na of de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde overeenkomt met de identiteit van de persoon ten laste of ten gunste van wiens rekening de eerste betaling wordt gedaan.
Artikel 3
Toelichting
Onderdeel van Afgeleide identificatie· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2004