De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 5, in ieder geval in aanmerking:
de in de onderdelen 1 en 2 van Bijlage A genoemde strafrechtelijke antecedenten;
de in onderdeel 3 van Bijlage A genoemde financiële antecedenten;
de in onderdeel 4 van Bijlage A genoemde toezichtantecedenten;
de in onderdeel 5 van Bijlage A genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en
de in onderdeel 6 van Bijlage A genoemde overige antecedenten.
Hoofdstuk 2
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Besluit prudentiële regels Wft· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2007