Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Kostenverhaalsbeleid met betrekking tot ‘bijzondere categorieën’

Onderdeel van Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wet bodembescherming april 2007· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 10 mei 2007

In de kamernotitie Ongerechtvaardigde verrijking in verband met bodemsanering van 8 juni 1994 zijn bijzondere regels met betrekking tot het kostenverhaal op bewoners te vinden, waarin de terughoudendheid om het juridisch instrumentarium van de Wbb op bewoners toe te passen tot uitdrukking is gebracht. De bijzondere regeling voor bewoners komt erop neer dat indien cumulatief is voldaan aan de in de notitie genoemde voorwaarden géén kostenverhaal zal worden toegepast jegens bewoners, ook al is er sprake van wetenschap van verontreiniging. Aan de bijzondere regeling voor bewoners, zoals neergelegd in de beleidsregel kostenverhaal uit 2002, zijn nieuwe voorwaarden toegevoegd. Dit omdat het in de praktijk voorkwam dat er een beroep op de bewonersregeling werd gedaan bij de aankoop van bedrijfspanden. Het beroep op de regeling bij aankoop van bedrijfspanden werd gedaan nadat de in de kamernotitie opgenomen voorwaarde dat de rechtsvoorganger van de bewoner zelf ook de bewoner moet zijn (geweest) in de beleidsregel uit 2002 was komen te vervallen. De achtergrond hiervan was dat er zich situaties voordeden waarin het onredelijk was om het vereiste strikt te handhaven, bijvoorbeeld in gevallen waarin een woning op naam van een rechtspersoon stond of waarin de bewoner de woning van een woningbouwvereniging aankocht. Hieronder zijn de vereisten neergelegd om in aanmerking te komen voor de bijzondere regeling voor bewoners. Indien een bewoner cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden, zal géén kostenverhaal worden toegepast: Op het moment waarop de bewoner een (bebouwd) perceel verwerft, rust op dat perceel de bestemming ‘wonen’25Hiermee wordt bedoeld zuiver wonen. of de bewoner toont aan dat hij mocht aannemen dat het perceel de bestemming wonen zou krijgen. De woning wordt vanaf het moment van verwerving gebruikt voor bewoning door de bewoner zelf, zijn huisgenoten of zijn bloed- en aanverwanten in rechte lijn. De bewoner moet een redelijke, marktconforme prijs hebben betaald voor de woning; De bewoner mag de verontreiniging niet zelf hebben veroorzaakt of bij de veroorzaking betrokken zijn geweest. Het mag niet gaan om een aan de woonfunctie gerelateerde verontreiniging, zoals verontreiniging veroorzaakt door een HBO-tank. Er mag bovendien geen sprake zijn van misbruik, dat wil zeggen dat met een beroep op de bewonersregeling verhaalsmogelijkheden (dreigen) te worden onttrokken aan de Staat door ontwijkgedrag van de wederpartij. Erfgenamen zijn rechtsopvolgers onder algemene titel. Dit betekent dat zij treden in de rechten en verplichtingen van de erflater. Zij treden als het ware in diens positie. Het beleid ten aanzien van erfgenamen, die niet als schuldig eigenaar kunnen worden aangemerkt, kent, met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking, de volgende uitgangspunten: In die gevallen waarin de erflater onschuldig zou zijn geweest, hij of zij dus niet zou kunnen worden aangesproken op grond van onrechtmatige daad en/of ongerechtvaardigde verrijking, gaat diens ‘onschuld’ over op de erfgenaam. Indien de erflater ‘schuldig’ zou zijn geweest levert dit een vordering van de Staat op. Het kostenverhaal blijft in deze gevallen evenwel beperkt tot de omvang van de boedel. Hoewel de erfgenaam aanspreekbaar is voor zijn gehele vermogen is besloten het kostenverhaal te beperken tot de omvang van de erfenisboedel, die bestaat uit het saldo van activa minus het saldo van de passiva tenzij de erfgenaam als (mede)veroorzaker is aan te merken, een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker heeft gehad, dan wel onvoldoende schadebeperkende maatregelen heeft getroffen (in die gevallen acht de Staat kostenverhaal in ieder geval wel redelijk). De reden voor deze keuze is geweest dat het kostenverhaal ten aanzien van de erflater beperkt zou zijn gebleven tot diens vermogen. Een andere reden is geweest dat hiermee kan worden voorkomen dat erfenissen worden verworpen met als ultiem resultaat dat deze vervallen aan de Staat. Evenals bij de erfgenamen is in geval van fusie, als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek (BW), splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 BW en boedelmenging sprake van rechtsopvolging onder algemene titel. Hierbij geldt dat de rechtspositie van de rechtsvoorganger wordt overgenomen (schuldig of onschuldig). In deze gevallen zal het kostenverhaal zich echter niet beperken tot de omvang van het vermogen van de rechtsvoorganger. De rechtsopvolger onder algemene titel is met zijn gehele vermogen aansprakelijk. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig heeft een omvangrijke privatisering plaatsgevonden van gemeentelijke woningbouwbedrijven. Een grote hoeveelheid woningen en toebehoren, die eigendom waren van gemeenten, zijn overgedragen aan daartoe in het leven geroepen of reeds bestaande woningbouwcorporaties. In dat kader is ook een aantal verontreinigde percelen overgedragen. Door privatisering van het gemeentelijk woningbezit, middels eigendomsoverdracht, ontstonden er geprivatiseerde stichtingen, die als ‘niet-onschuldig’ eigenaar konden worden beschouwd. Bestendig beleid is dat kostenverhaal op basis van ongerechtvaardigde verrijking in deze gevallen niet is uitgesloten. Indien corporaties, ingeval van eventuele sanering, de waardestijging bijdragen bestaat tegen financiering vanuit Wbb-budget geen bezwaar. Het beleid ten aanzien van woningbouwcorporaties kent het volgende uitgangspunt: Kostenverhaal op woningcorporaties, ook in geval zij hebben verkregen in het kader van het door VROM gevoerde beleid inzake verzelfstandiging/privatisering van gemeentelijke woningbouwbedrijven, zal/kan volgens de regels van ongerechtvaardigde verrijking plaatsvinden.

Rechtspraak bij dit artikel