**1.** Het bestuur van het Fonds beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag tot verlenen van subsidie op grond van deze regeling, indien naar het oordeel van het bestuur:
verlening van de subsidie niet valt onder de doelstelling van deze regeling; of:
de bioscoopfilm waarvoor subsidie wordt aangevraagd geen culturele waarde heeft, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, of een reclamefilm of een voorlichtingsfilm betreft; of:
niet aannemelijk is dat de aanvrager daadwerkelijk kan beschikken over alle financiële middelen die blijkens het bij de aanvraag ingediende filmplan noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de bioscoopfilm; of:
niet aannemelijk is dat de bioscoopfilm voortgebracht kan of zou moeten worden conform de in het filmplan begrote productiekosten; of:
niet aannemelijk is dat verlening van de subsidie noodzakelijk is voor de voortbrenging van de bioscoopfilm; of:
niet aannemelijk is dat de bioscoopfilm conform het filmplan zal worden uitgebracht in bioscopen in Nederland; of:
onvoldoende vertrouwen bestaat dat het filmplan naar behoren wordt uitgevoerd; of:
de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikelen 3 en 5 van deze regeling dan wel overigens niet voldoet aan deze regeling.
de aanvraag overigens niet voldoet aan deze regeling.
**2.** Het bestuur van het Fonds beslist afwijzend op een aanvraag tot verlening van subsidie op grond van deze regeling, indien de producent, die hoofdverantwoordelijk is voor de bioscoopfilm waarvoor de aanvraag is ingediend:
niet eveneens hoofdverantwoordelijk is geweest voor het voortbrengen van tenminste twee bioscoopfilms met een bioscoopuitbreng;
in de periode van zeven kalenderjaren voorafgaand aan een subsidieaanvraag niet hoofdverantwoordelijk is geweest voor het voortbrengen van tenminste één bioscoopfilm met een bioscoopuitbreng, die na première door minimaal 100.000 personen in Nederlandse bioscoop is bezocht.
**3.** Het bestuur van het Fonds beslist afwijzend op een aanvraag tot verlening van subsidie op grond van deze regeling, indien naar het oordeel van het bestuur verlening van de gevraagde subsidie ertoe zou leiden dat aan de aanvrager op grond van deze regeling in een kalenderjaar voor een totaalbedrag groter dan € 2.500.000 aan subsidies wordt verleend ten behoeve van de voortbrenging van meerdere bioscoopfilms door dezelfde aanvrager.
**4.** Het bestuur van het Fonds beslist afwijzend op een aanvraag tot verlening van subsidie op grond van deze regeling, indien de aanvrager naar het oordeel van het bestuur aangemerkt moet worden als een omroepvereniging of een andere instelling die zendtijd heeft gekregen in de zin van de Mediawet of anderszins op Nederland gerichte televisie-uitzendingen verzorgt.
**5.** Voor de toepassing van het derde en vierde lid worden als aanvrager tevens in aanmerking genomen met de aanvrager verbonden lichamen. Als een met de aanvrager verbonden lichaam wordt aangemerkt:
een lichaam waarin de aanvrager, direct of indirect, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft; ofwel:
een lichaam dat, direct of indirect, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de aanvrager; ofwel:
een lichaam waarin een derde, direct of indirect, voor tenminste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde, direct of indirect, tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de aanvrager.
§ 4
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Suppletieregeling filminvesteringen Nederland· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2012