Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Verlegging van de heffing naar de binnenlandse aangifte

Onderdeel van Omzetbelasting, heffing van omzetbelasting bij invoer· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 24 november 2007

De wet bevat een bepaling over de verlegging van de omzetbelasting die bij invoer is verschuldigd (zie artikel 23 van de wet). Deze verlegging houdt in dat bepaalde in de wet of door middel van een vergunning aangewezen personen de omzetbelasting voldoen op de binnenlandse periodieke aangifte als de in te voeren goederen voor hen zijn bestemd. De specifiek hiervoor geldende regels en voorwaarden zijn opgenomen in de uitvoeringsbeschikking (zie de artikelen 17 t/m 18b van de uitvoeringsbeschikking). Er kunnen drie categorieën worden onderscheiden: Alle ondernemers en lichamen zijn aangewezen voor de invoer van bepaalde aangewezen goederen (zie artikel 17 en bijlage A van de uitvoeringsbeschikking); Alle ondernemers en lichamen zijn aangewezen voor bepaalde goederen bij bevoorrading van vervoermiddelen (zie artikel 17a uitvoeringsbeschikking); Individuele ondernemers met vergunning van de inspecteur voor andere goederen dan hiervoor bedoeld (zie artikel 18 en 18a van de uitvoeringsbeschikking). Op het moment dat goederen worden binnengebracht (d.w.z. fysiek de grens van de Gemeenschap overschrijden) moet worden bepaald of de goederen zijn bestemd voor de aangewezen ondernemers, die beschikken over een artikel 23 vergunning. Daarbij kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat de ondernemer al als eigenaar over de goederen beschikt op het moment van invoer en de goederen voor hem bestemd zijn om te gebruiken in het kader van zijn eigen bedrijf. In gevallen waarbij goederen door een buitenlandse leverancier aan een aangewezen Nederlandse ondernemer worden geleverd onder de conditie dat de invoer plaatsvindt door de aangewezen ondernemer en daarvoor bestemd zijn, is de verleggingsregeling van artikel 23 van de wet van toepassing op die aangewezen ondernemer. Als goederen die bij het binnenbrengen bestemd waren voor een aangewezen ondernemer en na het binnenbrengen in de Gemeenschap onder een douaneregime zijn gebracht, is de verleggingsregeling van toepassing op die aangewezen ondernemer. Dat geldt ook als de goederen worden gestolen nadat de goederen onder een douaneregime zijn gebracht en de desbetreffende aangewezen ondernemer de goederen wilde leveren aan een andere aangewezen ondernemer. De bestemming in de zin van artikel 23 wijzigt pas als de goederen in de zin van de wet zijn geleverd aan een andere aangewezen ondernemer (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2003, BNB 2003/210). Ik licht de werking van artikel 23 toe aan de hand van de volgende voorbeelden. Een in Utrecht gevestigde handelaar is individueel aangewezen op grond van artikel 23 van de wet. Om zijn voorraad handelswaar op peil te houden koopt deze handelaar goederen bij een onderneming buiten de EU. Partijen komen overeen dat de goederen uit een land buiten de Gemeenschap in opdracht van de verkoper worden vervoerd en franco huis worden afgeleverd. De handelaar verstrekt aan de buitenlandse leverancier een afschrift van zijn artikel 23 vergunning. Onder deze omstandigheden staat vast dat de goederen zijn bestemd voor de Nederlandse koper. Om die reden dient de omzetbelasting bij invoer van de in Utrecht gevestigde ondernemer te worden geheven met toepassing van artikel 23. Een in Utrecht gevestigde handelaar in auto-onderdelen is individueel aangewezen op grond van artikel 23 van de wet. Deze ondernemer koopt goederen bij een onderneming die is gevestigd buiten de EU. De goederen uit een land buiten de Gemeenschap zullen in opdracht van de verkoper f.o.b. Rotterdam worden afgeleverd. In Rotterdam worden de goederen door een douane-expediteur in opdracht van de koper geplaatst onder de regeling extern communautair douanevervoer voor transport naar Utrecht. De koper heeft op dat moment de beschikkingsmacht over de goederen gekregen. Tijdens dit transport worden de goederen aan het douanetoezicht onttrokken. Het onderzoek door de Douane naar deze gebeurtenis blijft zonder resultaat. Onder deze omstandigheden staat vast dat de goederen bij het binnenbrengen in de Gemeenschap zijn bestemd voor de Nederlandse koper. Om die reden dient de omzetbelasting bij invoer van de in Utrecht gevestigde ondernemer te worden geheven met toepassing van artikel 23. Het komt voor dat de verleggingsregeling bij de invoer is toegepast en dat de afnemer de goederen weigert. Redenen hiervoor kunnen zijn dat de goederen gebreken vertonen of omdat zij niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract. De goederen worden dan meestal door de leverancier geleverd aan een andere (binnenlandse) afnemer. De oorspronkelijke afnemer is als regel niet op de hoogte van het feit dat de goederen worden geleverd aan een andere (binnenlandse) afnemer. Om praktische problemen bij de oorspronkelijke afnemer te voorkomen keur ik voor deze situatie het volgende goed. Ik keur goed dat de oorspronkelijke afnemer de bij invoer verschuldigde omzetbelasting niet opneemt in zijn periodieke binnenlandse aangifte als hij aantoont dat hij de goederen heeft geweigerd. Een buitenlandse opdrachtgever kan goederen van buiten de Gemeenschap aan een Nederlandse veredelaar ter beschikking stellen om deze te bewerken. In dat geval kunnen de goederen onder een schorsingsregeling van heffingen bij invoer (actieve veredeling) worden geplaatst. Er is dan geen sprake van invoer in de zin van de wet. Het komt voor dat geen gebruik wordt gemaakt van deze schorsingsregeling. Uit praktische overwegingen keur ik voor deze situatie het volgende goed. Ik keur goed dat in plaats van de opdrachtgever de veredelaar de verleggingsregeling bij invoer toepast als: het gaat om goederen waarvoor de heffing bij invoer automatisch wordt verlegd, of de veredelaar individueel aangewezen is voor de toepassing van de verlegging. Als geen gebruik kan worden gemaakt van de verleggingsregeling, is de buitenlandse opdrachtgever de omzetbelasting bij invoer verschuldigd. Hij kan in dat geval teruggaaf van omzetbelasting krijgen omdat de goederen voor hem zijn bestemd in de zin van artikel 15 van de wet. Uit praktische overwegingen keur ik voor deze situatie het volgende goed. De veredelaar in plaats van de buitenlandse opdrachtgever kan de bij invoer verschuldigde omzetbelasting in aftrek brengen alsof hij degene is voor wie de goederen zijn bestemd. Dit bedrag aan omzetbelasting dient uit zijn boeken en bescheiden te blijken (zie artikel 10 van de uitvoeringsbeschikking). De aftrek is alleen toegestaan als de veredelaar met zijn buitenlandse opdrachtgever is overeengekomen, dat de veredelaar in plaats van de buitenlandse opdrachtgever de omzetbelasting in aftrek brengt. Een buitenlandse ondernemer kan goederen van buiten de Gemeenschap aan een Nederlandse ondernemer in consignatie (= in bewaring) geven. Als de goederen worden aangegeven voor het vrije verkeer is de buitenlandse ondernemer omzetbelasting verschuldigd. In voorkomend geval kan hij daarbij gebruik maken van de verleggingsregeling bij invoer. Om de administratieve lasten voor de buitenlandse ondernemer te minimaliseren keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat in plaats van de buitenlandse ondernemer de consignatiehouder de verleggingsregeling bij invoer toepast als: het gaat om goederen waarvoor de heffing bij invoer automatisch wordt verlegd, of de consignatiehouder individueel aangewezen is voor de toepassing van de verlegging. Als geen gebruik kan worden gemaakt van de verleggingsregeling, is de buitenlandse ondernemer de omzetbelasting bij invoer verschuldigd. Hij kan in dat geval teruggaaf van omzetbelasting krijgen omdat de goederen voor hem zijn bestemd in de zin van artikel 15 van de wet. Om de heffing te vergemakkelijken keur ik voor deze situatie het volgende goed. De consignatiehouder kan de bij invoer verschuldigde omzetbelasting in aftrek brengen alsof hij degene is voor wie de goederen zijn bestemd. Dit bedrag aan omzetbelasting dient uit zijn boeken en bescheiden te blijken (zie artikel 10 van de uitvoeringsbeschikking). De aftrek is alleen toegestaan als de consignatiehouder met de buitenlandse ondernemer is overeengekomen, dat de consignatiehouder in plaats van de buitenlandse ondernemer de omzetbelasting in aftrek brengt. Op het moment dat de consignatiehouder de goederen levert aan een afnemer, komt er een levering tot stand tussen de buitenlandse leverancier en de consignatiehouder. De verschuldigde omzetbelasting voor deze levering wordt veelal geheven van de consignatiehouder (de zogenaamde verlegging van de belastingheffing bedoeld in artikel 12, derde lid, van de wet). Als deze verleggingsregeling niet kan worden toegepast keur ik goed dat deze levering buiten de heffing van omzetbelasting blijft. Het komt voor dat de consignatiehouder kosten maakt met het oog op de uiteindelijke verkoop en levering van de in consignatie gehouden goederen. Deze kosten hebben veelal betrekking op verhandeling, opslag, transport, reclame, promotie en dergelijke. Als de consignatiehouder de kosten verrekent met de buitenlandse leverancier, keur ik goed dat deze verrekening buiten de heffing van omzetbelasting blijft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel