Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › Afdeling 1.2 › Paragraaf 1.2.5

Artikel 1:39

Artikel 1:39

Onderdeel van Algemene douanewet· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. De inspecteur verstrekt op verzoek kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen aan de politie of de Koninklijke Marechaussee, ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van inzicht in misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. 2. De inspecteur kan, voor zover dit met het oog op een zwaarwegend algemeen belang noodzakelijk is, uit eigen beweging ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 12 en 14, tweede lid, van die wet, of voor de persoonlijke veiligheid van de betrokken ambtenaar of zijn directe omgeving, kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen met betrekking tot individuele gevallen verstrekken aan de politie of de Koninklijke Marechaussee. 3. De inspecteur verstrekt alleen de gegevens die hij reeds voorafgaand aan het verzoek heeft verwerkt voor zover die verwerking noodzakelijk was voor de taak van de inspecteur bij de uitvoering van het gestelde bij of krachtens deze wet. 4. Indien dit geen gevolgen heeft voor de effectiviteit van de uitvoering van de politietaak worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, door de inspecteur geanonimiseerd. 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: het soort gegeven dat kan worden verstrekt; de wijze waarop de gegevensoverdracht wordt beveiligd; de wijze waarop de inspecteur ondersteuning biedt bij het doorgronden van de gegevens; de wijze waarop en door wie de belangenafweging wordt gemaakt bij verstrekking van gegevens als bedoeld in het tweede lid; de eisen die aan een verzoek om gegevensverstrekking worden gesteld, waaronder eisen ter voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook; voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook bij de verstrekking van de gegevens. 6. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid, onderdelen a, d of e, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Rechtspraak bij dit artikel