Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › Afdeling 1.2 › Paragraaf 1.2.5

Artikel 1:40

Artikel 1:40

Onderdeel van Algemene douanewet· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. De inspecteur verstrekt op verzoek kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen aan de Financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, en de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken gericht op het verkrijgen van inzicht in goederenstromen met het oog op het voorkomen van witwassen door middel van internationale handelstransacties. 2. De inspecteur verstrekt, voor zover dit noodzakelijk is, zowel uit eigen beweging als op verzoek, kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen met betrekking tot individuele gevallen aan de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en opsporing, bedoeld in de artikelen 3 en 12 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in dat artikel 3, onderscheidenlijk dat artikel 12. 3. De inspecteur verstrekt alleen de gegevens die hij reeds voorafgaand aan het verzoek heeft verwerkt voor zover die verwerking noodzakelijk was voor de taak van de inspecteur bij de uitvoering van het gestelde bij of krachtens deze wet. 4. Indien dit geen gevolgen heeft voor de effectiviteit van de uitvoering van de taken worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, door de inspecteur geanonimiseerd. 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: het soort gegeven dat kan worden verstrekt; de wijze waarop de gegevensoverdracht wordt beveiligd; de wijze waarop de inspecteur ondersteuning biedt bij het doorgronden van de gegevens; de eisen die aan een verzoek om gegevensverstrekking worden gesteld, waaronder eisen ter voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook; voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook bij de verstrekking van de gegevens. 6. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid, onderdelen a of d, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel