Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor het woon–werkverkeer is het van belang dat, ongeacht de (eigen) keuze van de woonplaats, wordt vastgesteld of de plaats van tewerkstelling doelmatig per openbaar vervoer is te bereiken. Of dit het geval is, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Daarbij is het zeer wel denkbaar dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die individueel maatwerk vereisen. In die gevallen is het aan het bevoegd gezag om met toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 15 van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 een passende oplossing te bieden.
Een plaats van tewerkstelling kan in elk geval niet doelmatig per openbaar vervoer worden bereikt als een van de volgende omstandigheden zich voordoet.
De loopafstand tussen de plaats van tewerkstelling en de dichtstbijzijnde halte van het openbaar vervoer is groter dan 1 kilometer. Die halte hoeft geen relatie te hebben met het specifieke openbaar vervoermiddel waarvan de ambtenaar gebruik wil maken.
De werktijdregeling van de ambtenaar is door het bevoegd gezag zodanig vastgesteld dat de ambtenaar de plaats van tewerkstelling niet met het openbaar vervoer kan bereiken of verlaten.
Het openbaar vervoer stopt niet ten minste tweemaal per uur bij de plaats van tewerkstelling (dit geldt zowel bij de aanvang als bij het einde van de diensttijd).
Bij gebruik van het openbaar vervoer komt als gevolg van de ligging van de plaats van tewerkstelling de persoonlijke veiligheid van de ambtenaar in gevaar.
De bedrijfsarts is van oordeel dat om medische redenen geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer.
De ambtenaar, die in het kader van het woon–werkverkeer in enige maand in verband met een van de hiervoor onder 4.1.2. bedoelde omstandigheden niet op alle voor hem geldende werkdagen doelmatig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt geacht de gehele maand niet doelmatig van het openbaar vervoer gebruik te kunnen maken.
Wanneer voor het reizen van de woning naar de plaats van tewerkstelling gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer vergoedt de werkgever de daarvoor gemaakte reiskosten of stelt voor het traject woning–werk vervoerbewijzen beschikbaar (bij vervoer per trein: 2e klasse). Als de ambtenaar te kennen geeft in aanmerking te willen komen voor een vervoerbewijs 1e klasse of een vervoerbewijs dat gebruikt kan worden over een grotere afstand dan het traject woning–werk, dan behoort dat tot de mogelijkheden, zij het dat de meerprijs van dat vervoerbewijs voor rekening van de ambtenaar komt. Daarbij bestaat de mogelijkheid om die meerprijs als belastingvrije vergoeding via IKAP te bekostigen.
Indien de ambtenaar in de situatie waarin doelmatig openbaar vervoer beschikbaar is, er de voorkeur aan geeft het gehele traject woning–werk met eigen vervoer, niet zijnde een fiets, af te leggen, heeft hij voor dat traject aanspraak op een vergoeding per kilometer die gelijk is aan een derde deel van de kilometervergoeding die wordt toegekend in situaties waarin de plaats van tewerkstelling niet doelmatig met het openbaar vervoer is te bereiken. De hier bedoelde kilometervergoeding bedraagt per 1 juli 2008 € 0,05. Bij een reispatroon van gemiddeld vijf of meer dagen per week bedraagt de maximale tegemoetkoming op basis van deze kilometervergoeding per 1 juli 2008 € 45 per maand. Wordt op gemiddeld minder dan vijf dagen per week gereisd dan wordt de hiervoor bedoelde maximum tegemoetkoming naar evenredigheid lager vastgesteld.
Is doelmatig openbaar vervoer beschikbaar en kiest de ambtenaar er voor om het gehele traject woning–werk met de fiets af te leggen dan kan hij voor dat traject aanspraak maken op een vergoeding van € 0,15 per kilometer. In deze kilometervergoeding wordt een vergoeding voor eventuele stallingkosten geacht te zijn begrepen. De vergoeding is gebaseerd op het gemiddelde NS-kilometertarief voor de 2e klasse en wordt toegekend onder de voorwaarde dat de ambtenaar schriftelijk verklaart dat hij de volledige afstand woning–werk met de fiets aflegt. Een model van deze verklaring is bij deze circulaire gevoegd (bijlage 2). De maandelijkse tegemoetkoming op basis van deze kilometervergoeding is maximaal gelijk aan 1/12 van de grootverbruikcontractprijs van een OV-jaarkaart 2e klasse op 1 januari van elk kalenderjaar. Dit betekent dat bij een reispatroon van gemiddeld vijf of meer dagen per week de maximale tegemoetkoming thans (€ 3.393: 12 =) 282,75 per maand bedraagt. Wordt op gemiddeld minder dan vijf dagen per week gereisd dan wordt de hiervoor bedoelde maximum tegemoetkoming naar evenredigheid lager vastgesteld. Aantoonbaar gebruik van het openbaar vervoer, bijvoorbeeld gedurende de wintermaanden of in geval van slecht weer, leidt niet tot stopzetting van de vergoeding voor het gebruik van de fiets. De kosten van het openbaar vervoer komen in dat geval niet voor vergoeding in aanmerking, maar dient de ambtenaar uit zijn fietsvergoeding te financieren.
Als de plaats van tewerkstelling niet doelmatig met het openbaar vervoer is te bereiken, bestaat, ongeacht het daadwerkelijk gebruikte eigen vervoermiddel, voor het traject woning–werk aanspraak op een vergoeding per kilometer van € 0,15. De maandelijkse tegemoetkoming op basis van deze kilometervergoeding is maximaal gelijk aan 1/12 van de grootverbruikcontractprijs van een OV-jaarkaart 2e klasse op 1 januari van elk kalenderjaar. Dit betekent dat bij een reispatroon van gemiddeld vijf of meer dagen per week de maximale tegemoetkoming thans (€ 3.393: 12 =) 282,75 per maand bedraagt. Wordt op gemiddeld minder dan vijf dagen per week gereisd dan wordt de hiervoor bedoelde maximum tegemoetkoming naar evenredigheid lager vastgesteld.
Ten behoeve van de formule die wordt gebruikt voor de berekening van de maandelijkse tegemoetkoming in de dagelijkse reiskosten wordt de afstand van de woning naar de plaats van tewerkstelling, zowel voor de fiets als voor overig eigen vervoer, bepaald aan de hand van de bij P-Direkt in gebruik zijnde routeplanner, die voor alle ministeries toegankelijk zal worden gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de snelste route. De op deze wijze vastgestelde afstand wordt rekenkundig op een decimaal achter de komma afgerond. Voor woon–werksituaties waarin de routeplanner niet voorziet beslist het bevoegd gezag over het in aanmerking te nemen aantal kilometers.
Als sprake is van een kilometervergoeding, wordt de maandelijkse tegemoetkoming volgens een bepaalde, door de Fiscus geboden, systematiek berekend. Voor deze berekeningswijze geldt als voorwaarde dat bij een reispatroon van gemiddeld 5 of meer dagen per week op ten minste 150 dagen per jaar naar dezelfde plaats van tewerkstelling moet worden gereisd. Indien:
de ambtenaar reist op gemiddeld minder dan vijf dagen per week;
de dienstbetrekking begint of eindigt in de loop van het kalenderjaar;
de reisafstand wijzigt door bijvoorbeeld overplaatsing of verhuizing,
moet het aantal van 150 reisdagen naar evenredigheid lager worden vastgesteld.
Vorenbedoelde systematiek leidt tot de volgende formule:
Hierbij is A de rekenkundig op een decimaal achter de komma afgeronde enkele reisafstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, berekend met de hiervoor bedoelde routeplanner en staat 214 voor het aantal reisdagen per jaar (daarbij is rekening gehouden met reisonderbrekingen in verband met bijvoorbeeld incidenteel thuiswerken, ziekte, vakantie en verlof). B is het rekenkundig op twee decimalen achter de komma afgeronde gemiddelde aantal reisdagen per week, dat vervolgens door 5 wordt gedeeld en C is de van toepassing zijnde kilometervergoeding. De uitkomst van vorenbedoelde berekening wordt rekenkundig op twee decimalen achter de komma afgerond.
Bij volledige afwezigheid, bijvoorbeeld wegens vakantie, verlof, ziekte of schorsing gedurende een aaneengesloten periode van meer dan zes weken wordt de uitbetaling van de maandelijkse tegemoetkoming na ommekomst van die zes weken (dit aantal is onderdeel van de fiscale systematiek voor het verstrekken van een vaste reiskostenvergoeding) gestopt. Bij hervatting van de reizen gaat de vergoeding weer in vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin het reizen weer is begonnen.
Indien niet aan de voorwaarden met betrekking tot het aantal (150 of een evenredig deel daarvan) reisdagen wordt voldaan, wordt de maandelijkse tegemoetkoming vastgesteld op basis van de werkelijke reisdagen, rekening houdend met een evenredig deel van de maximale reiskostenvergoedingen.
De ambtenaar, die de afstand van de woning naar het vertrekpunt van het door hem te gebruiken openbaar vervoer en de afstand van het punt van aankomst van dat vervoer naar de plaats van tewerkstelling met de fiets aflegt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het stallen van de fiets aan beide kanten van het openbaar vervoertraject. Vorenbedoelde vergoeding bedraagt ten hoogste 2 × € 10 per maand. Om voor deze vergoeding in aanmerking te komen dient bij aanvang van het tijdvak waarop het OV-abonnement betrekking heeft, dan wel op het moment waarop een tariefwijziging plaatsvindt (gewoonlijk één keer per jaar) of de reisroute wijzigt, te worden afgezien van de (vergoeding voor de) zones voor het aansluitende openbaar vervoer aan beide kanten van het openbaar vervoertraject. Daarnaast moet met bewijsstukken worden aangetoond dat voor beide stallingen een abonnement voor minimaal een maand is aangeschaft. Indien gedurende een aaneengesloten periode van meerdere maanden stallingabonnementen worden aangeschaft, kunnen deze abonnementen na afloop van die periode in één keer worden ingeleverd. De ambtenaar kan de keuze voor zones of stallingkosten tussentijds slechts wijzigen bij wijziging van de reisroute of op het moment van een tariefwijziging van het openbaar vervoer (voorwaarde voor retournering openbaar vervoerbewijzen).
De ambtenaar, die uitsluitend aan één kant van het traject van het door hem te gebruiken openbaar vervoer gebruik maakt van de fiets, komt in aanmerking voor een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het stallen van de fiets van ten hoogste € 10 per maand, zonder dat hoeft te worden afgezien van de (vergoeding voor de) zones voor het aansluitende openbaar vervoer. Ook hier geldt dat met bewijsstukken moet worden aangetoond dat een stallingabonnement voor minimaal een maand is aangeschaft en dat stallingabonnementen voor een aaneengesloten periode van meerdere maanden na afloop van die periode in één keer kunnen worden ingeleverd.
Artikel 4
Uitwerking
Onderdeel van Nieuwe voorziening woon–werkverkeer· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2008