Naar hoofdinhoud

Artikel 21

Voorrecht rijksbelastingen

Onderdeel van Leidraad Invordering 2008· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2008

In aansluiting op artikel 21 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de begrippen bodemzaken en bodemvoorrecht; de bestuurlijke boete en bodemvoorrecht; bodemvoorrecht buiten faillissement en bezitloos pandrecht; bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP; de tijdsduur van het voorrecht; het geheel of gedeeltelijk afzien van voorrang. De zaken omschreven in artikel 22, derde lid, van de wet worden verder aangeduid als bodemzaken. Het voorrecht gaat – indien en voor zover het de belastingen genoemd in artikel 22, derde lid, van de wet betreft – boven een pandrecht dat gevestigd is op bodemzaken. Dit voorrecht wordt verder aangeduid als bodemvoorrecht. Het bodemvoorrecht wordt niet toegepast voor de bestuurlijke boeten. Het bodemvoorrecht wordt buiten faillissement geldend gemaakt door op de betreffende bodemzaak beslag te leggen. De bezitloos pandhouder blijft ook na dit beslag bevoegd de betreffende zaken tot zich te nemen en te executeren, met inachtneming van de bepalingen betreffende executie krachtens pandrecht. Nadat de zaken door de bezitloos pandhouder te gelde zijn gemaakt, is hij – als dit gevorderd wordt – gehouden om de netto-opbrengst van de inbeslaggenomen zaken aan de ontvanger af te staan, althans voor het deel van diens vordering dat bevoorrecht is boven pand en waarvoor het beslag is gelegd. Voor wat betreft de volgorde van uitwinning, is het bepaalde in artikel 14.1.4 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Zolang de pandhouder de ontvanger niet heeft aangezegd dat hij van de bovenvermelde bevoegdheid gebruik zal maken, blijft de ontvanger bevoegd de inbeslaggenomen, bezitloos verpande zaken te executeren. Beslagleggen is niet nodig als er verpande bodemzaken zijn ten tijde van het in werking treden van het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op die zaken rust van rechtswege bodemvoorrecht. Het fiscale voorrecht geldt gedurende de gehele periode waarin een belastingaanslag kan worden ingevorderd. Op het moment dat de verjaring intreedt – als bepaald in artikel 27 van de wet – vervalt het fiscale voorrecht. Als de ontvanger het verzoek krijgt geheel of gedeeltelijk van het recht van voorrang af te zien om andere redenen dan ter bereiking van een akkoord, dan draagt hij dit verzoek voor verdere afwikkeling over aan het ministerie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel