Hoofdstuk 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bevat de procedureregels die gelden voor de inkomensafhankelijke regelingen die door Dienst Toeslagen worden uitgevoerd, te weten:
de Wet op de huurtoeslag;
de Wet op de zorgtoeslag;
de Wet kinderopvangtoeslag;
de Wet op het kindgebonden budget.
Paragraaf 3 van hoofdstuk 2 Awir omschrijft de bevoegdheden die Dienst Toeslagen heeft om een teruggevorderde toeslag in te vorderen. Dit hoofdstuk beschrijft het beleid bij invordering van toeslagschuld.
De Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen, heeft de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, eerste en tweede gedachtestreepje en onderdeel c Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, bedoelde algemeen directeuren, mandaat verleend om namens de Dienst Toeslagen toeslagschuld in te vorderen. In de uitoefening van die invorderingstaak treden zij niet op in hun hoedanigheid van ontvanger maar als het bestuursorgaan Dienst Toeslagen.
De belastingdeurwaarder is in de Awir bevoegd verklaard voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van Dienst Toeslagen.
Het volgende beleid is in dit artikel opgenomen:
de betalingsherinnering en toeslagschuld;
invordering toeslagschuld door middel van vordering;
faillissement, WSNP en toeslagschuld;
toeslagschuld na de toepassing van de WSNP en MSNP;
toeslagschuld ontstaan gedurende faillissement, WSNP of MSNP;
minnelijke schuldsaneringsregeling en toeslagschuld;
verrekening en beslagvrije voet;
verrekening en toeslagschuld;
verrekening en uitstel van betaling toeslagschuld;
standaardbetalingsregeling toeslagschuld;
betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit;
uitstel van betaling in verband met bezwaar of herzieningsverzoek;
uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete;
geen verdere invorderingsmaatregelen voor toeslagschuld treffen;
aansprakelijkheid partner voor toeslagschuld;
beslag door derden op toeslag;
informatieverzoek gerechtsdeurwaarder omtrent toeslag;
rijksadvocaat in civiele procedures over toeslagen;
verzoekschriften aan andere instellingen;
aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde toeslagen;
uitbetaling van toeslagen aan een derde die failliet is gegaan of dreigt te failleren;
versnelde invordering toeslagen;
afboeking van de betaling van een toeslagschuld.
Als de toeslagschuld niet of niet volledig binnen de betalingstermijn wordt voldaan, zendt Dienst Toeslagen de belanghebbende eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering voordat tot dwanginvordering wordt overgegaan.
Op grond van artikel 32, zesde lid, Awir kan Dienst Toeslagen gebruik maken van de bevoegdheid tot het doen van een vordering ex artikel 19 van de wet onder de werkgever, de uitkeringsinstantie of een andere derde als bedoeld in het eerste lid van laatstgenoemd artikel.
De overeenkomstige toepassing van artikel 19 van de wet houdt in dat aan het doen van een vordering een vooraankondiging vooraf gaat, ook als het gaat om een vordering onder een uitkeringsinstantie.
Zodra Dienst Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zullen eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd.
De ontvanger meldt namens Dienst Toeslagen de openstaande toeslagschuld over de periode voorafgaand aan het tijdstip van faillissement of schuldsanering, ter verificatie aan bij de curator of de bewindvoerder. Voorafgaand aan de aanmelding van de toeslagschuld blijft verrekening van die schuld met uit te betalen bedragen op basis van een voorschot achterwege.
Gedurende het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt eveneens geen verrekening plaats van de aangemelde toeslagschuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot. Uitbetalingen met een eenmalig karakter (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf inkomstenbelasting) kunnen wel worden verrekend indien en voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór de datum van faillissement dan wel de toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling. In het geval vóór de faillissementsuitspraak dan wel voor de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling verrekening van een schuld met een voorschot of een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting heeft plaatsgevonden waarbij (ook) termijnen zijn verrekend die betrekking hebben op de periode na de faillissementsuitspraak respectievelijk de schuldsaneringsregeling, zal de verrekening in zoverre – namelijk voor zover de verrekening heeft plaatsgevonden met dat deel van het voorschot of de teruggaaf dat opeisbaar wordt vanaf datum faillissement of schuldsaneringsregeling – worden teruggedraaid. Dit laatste geldt ook in het geval van verrekening met termijnbedragen ingevolge een betalingsregeling als bedoeld in de artikelen 79.7 en 79.8.
Over de betaling van toeslagschuld die is ontstaan gedurende de periode na de datum van de uitspraak tot faillietverklaring dan wel de datum van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of de minnelijke schuldsaneringsregeling, treedt de ontvanger in overleg met de curator of de bewindvoerder. Als de toeslagschuld niet uit de boedel kan worden voldaan is betaling van de schuld met behulp van een betalingsregeling op de voet van de artikelen 79.7 of 79.8 mogelijk. In het geval van een betalingsregeling op de voet van artikel 79.8 houdt de ontvanger bij de vaststelling van het inkomen van de schuldenaar geen rekening met een eventuele afdracht van een deel van dat inkomen aan de bewindvoerder.
Zie voor toeslagschulden na de toepassing van de WSNP of MSNP de artikelen 73.2.2, 73.2.3 en 73.2.4 onderscheidenlijk 73.5.7.
Wijziging is herplaatst.
Wijziging is herplaatst.
Wijziging is herplaatst.
Wijziging is herplaatst.
Voor een toeslagschuld geldt dat het invorderingsbeleid voor belastingschulden zoals dat is verwoord in de artikelen 73.5 en 73.6 van deze leidraad overeenkomstig wordt toegepast. In aanvulling op artikel 73.5.1, vijfde volzin, en artikel 73.5.3, laatste volzin, geldt dat een verrekening van een voorschot ter zake van toeslagen, die in termijnen behoort te worden uitbetaald, moet worden teruggedraaid voor zover die verrekening betrekking heeft op de voorschottermijnen die verstrijken na de ontvangst van het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst of van de schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 73.5.1, tweede volzin. Dit geldt ook als sprake is van een verrekening met termijnbedragen ingevolge een betalingsregeling als bedoeld in de artikelen 79.7 en 79.8. Voor de toepassing van artikel 73.6 van deze leidraad geldt – anders dan voor belastingschulden – voor toeslagschulden dat de ontvanger in het kader van een akkoord een gelijk percentage opeist als het percentage dat aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen zal worden uitgekeerd.
Gedurende een door de rechtbank afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, schort de ontvanger lopende invorderingsmaatregelen op. Verrekeningen met uit te betalen toeslagen vinden gedurende de afkoelingsperiode niet plaats, ongeacht de periode waarop de toeslag betrekking heeft. De afkoelingsperiode is niet van invloed op een eventueel verleende betalingsregeling. Hierop blijft het in de artikelen 79.7 en 79.8 van deze leidraad opgenomen beleid van toepassing. Gedurende de afkoelingsperiode schort de Dienst Toeslagen de uitbetaling aan een derde op grond van een executoriaal beslag op uit te betalen toeslagen van de belanghebbende op.
Wijziging is herplaatst.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 5 van de Wet
gemeentelijke schuldhulpverlening in werking treedt.
Abusievelijk geeft de Staatscourant een inwerkingtreding voor
artikel I, onderdeel T, in plaats van artikel I, onderdeel P.
Een toeslagschuld kan worden verrekend met een aan dezelfde belanghebbende uit te betalen teruggaaf die voortvloeit uit een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Van deze bevoegdheid zal alleen gebruik worden gemaakt als de ontvanger de belastingteruggaaf niet met belastingschulden wil verrekenen.
Het initiatief om tot verrekening over te gaan, zal in de regel liggen bij Dienst Toeslagen. De belanghebbende kan Dienst Toeslagen echter ook verzoeken om van de verrekeningsbevoegdheid gebruik te maken. In dat geval kan ook verrekening plaats vinden voordat de betalingstermijn is verstreken.
De Dienst Toeslagen houdt bij verrekening van uit te betalen voorschotten huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget of een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting met van de belanghebbende te innen toeslagschuld, rekening met de voor de belanghebbende geldende beslagvrije voet. Als de belanghebbende na een verrekening aannemelijk maakt dat voor hem een andere beslagvrije voet geldt, zal de Dienst Toeslagen rekening houden met de aangepaste beslagvrije voet vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen.
Als de belanghebbende door de verrekening van een voorschot kinderopvangtoeslag de lopende kosten voor kinderopvang geheel of gedeeltelijk niet meer kan voldoen, kan hij de Dienst Toeslagen verzoeken de verrekening ongedaan te maken. Als de belanghebbende aannemelijk maakt dat hij door de verrekening een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, vermeerderd met het bedrag van de lopende kosten van de kinderopvang als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid van de Wet kinderopvang, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.7, eerste, tweede en vierde lid van de Wet Kinderopvang, zal de Dienst Toeslagen rekening houden met de beslagvrije voet, vermeerderd met het bedrag van de lopende kosten voor de kinderopvang van de belanghebbende, vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen.
1. Als belanghebbende een terugvordering niet of niet geheel betaalt en voor de terugvordering geen betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.7 aangaat, of niet om een betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.7 of 79.8 verzoekt, kan Dienst Toeslagen betaling van de terugvordering bewerkstelligen door middel van de maatregel Toeslagverrekening zonder kosten. Dienst Toeslagen verrekent dan de terugvordering met een aan belanghebbende maandelijks uit te keren voorschotbedrag.
2. Dienst Toeslagen zal gedurende het uitvoeren van de Toeslagverrekening zonder kosten in beginsel niet overgaan tot het nemen van aanvullende invorderingsmaatregelen voor de terugvordering waarvoor de maatregel wordt uitgevoerd. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan Dienst Toeslagen ondanks het uitvoeren van de maatregel wel invorderingsmaatregelen treffen.
3. Belanghebbende kan voorafgaand aan of gedurende de uitvoering van de Toeslagverrekening zonder kosten een verzoek bij Dienst Toeslagen indienen om de maatregel niet uit te voeren of voor het stopzetten van de maatregel. Dienst Toeslagen kent dit verzoek alleen toe als belanghebbende het op dat moment openstaande bedrag van de terugvordering ineens betaalt of als belanghebbende verzoekt om een betalingsregeling om de terugvordering te betalen en Dienst Toeslagen geen aanleiding heeft die betalingsregeling niet toe te kennen. Gedurende de behandeling van het verzoek wordt de maatregel voortgezet.
4. Als de Toeslagverrekening zonder kosten wordt stopgezet, wordt deze niet opnieuw opgestart, ongeacht de reden waarom de maatregel is stopgezet.
Zolang door Dienst Toeslagen uitstel is verleend voor de betaling van een toeslagschuld, vindt met betrekking tot deze toeslagschuld in beginsel geen verrekening plaats met termijnbedragen die worden uitbetaald:
op basis van een verleend voorschot op de toeslag;
op grond van een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting.
Verrekening met termijnbedragen is echter wel toegestaan indien en voor zover deze worden aangewend voor de aflossing van een toeslagschuld door middel van een betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad. De verrekening wordt altijd geacht op basis van termijnen (niet ineens) plaats te vinden.
Uitgangspunt is dat de belanghebbende die te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling.
De standaardbetalingsregeling gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk. Als een terugvordering meer bedraagt dan € 480, wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maandelijkse termijnen mogelijk is. De belanghebbende lost de toeslagschuld af door maandelijks het termijnbedrag over te maken naar de rekening van de Dienst Toeslagen.
De standaardbetalingsregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door de Dienst Toeslagen in de terugvorderingsbeschikking aangeboden. Wanneer een belanghebbende instemt met een door de Dienst Toeslagen aangeboden betalingsregeling moet de eerste termijn zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking, zodat de regeling start. Na het verstrijken van de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking wordt een standaardbetalingsregeling op aanvraag van de belanghebbende verleend.
De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking of de datum van de beschikking waarbij de Dienst Toeslagen de betalingsregeling toestaat. De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardbetalingsregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering. Er wordt dan een afzonderlijke standaardbetalingsregeling aangeboden voor de nieuwe terugvordering. Op verzoek van de belanghebbende kunnen deze afzonderlijke standaardbetalingsregelingen worden gebundeld tot een gezamenlijke standaardbetalingsregeling. Voor het totaalbedrag geldt dan weer de aflossingssystematiek van ten minste € 20 per maand per terugvordering gedurende maximaal 24 maanden gerekend vanaf de datum van het besluit waarbij de gebundelde betalingsregeling wordt toegekend.
De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een betalingsregeling af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.
Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet wordt de betalingsregeling beëindigd.
De Dienst Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardbetalingsregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardbetalingsregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan de Dienst Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardbetalingsregeling te voldoen.
De artikelen 11, 12, eerste tot en met vierde lid, 13 tot en met 16 van de regeling en de artikelen 25.5.5 tot en met 25.5.9 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir, met dien verstande dat met het netto besteedbaar inkomen van de partner alleen rekening wordt gehouden als die partner ook de partner van de belanghebbende was gedurende de periode waarop de toeslagschuld van de belanghebbende betrekking heeft;
bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht.
Als een verzoek van een belanghebbende als bedoeld in artikel 3a van de Awir is toegewezen, dan wordt de eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir niet als partner aangemerkt voor de toepassing van dit artikel. Dit geldt voor zover de belanghebbende ten tijde van het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling nog steeds verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 3a van de Awir.
Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagschuld af te lossen volgens de standaardbetalingsregeling, zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan waarbij de openstaande toeslagschuld in maximaal 24 maanden wordt voldaan.
Als blijkt dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand, maar voldoende om het bedrag van de toeslagschuld in maximaal 24 maanden te voldoen – zij het met een lager bedrag dan € 20 – dan zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan die is gebaseerd op die betalingscapaciteit.
Als de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar deze is niet voldoende om de toeslagschuld af te lossen in 24 maanden, dan zal de Dienst Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op die betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden.
Na twaalf maanden kan de Dienst Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Als na ontvangst van het formulier een inkomensverbetering wordt geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.
Als een belanghebbende of de in artikel 3 van de Awir bedoelde partner over vermogen in de zin van artikel 12, eerste tot en met vierde lid, van de regeling beschikt waarvan het niet onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken, wordt pas na aanwending van dit vermogen een persoonlijke betalingsregeling toegekend, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.
De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling eveneens af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.
Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet, wordt de betalingsregeling beëindigd.
Voor toeslagschulden regelt artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir het uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen. De leden 1 tot en met 6 van dat artikel 7 zijn niet van toepassing als het ontstaan van de terugvordering te wijten is aan opzet of grove schuld (artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir). In aanvulling op dat zesde lid geldt het volgende.
Voor een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner kan de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De belanghebbende verzoekt de Belastingdienst/Toeslagen om zo’n regeling.
De belanghebbende of diens partner maakt aannemelijk dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte geïnde voorschot, belichaamd in de toeslagschuld.
De regeling leidt tot betaling van de volledige schuld binnen 24 maanden.
Als het mogelijk is om een regeling van korter dan 24 maanden te treffen, moet die kortere regeling worden overeengekomen, afhankelijk van de betalingscapaciteit.
Een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner en waarvoor geen betalingsregeling overeengekomen kan worden, moet geheel worden ingevorderd. Als belanghebbende of diens partner aannemelijk maakt dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte ontvangen voorschot, belichaamd in de toeslagschuld, houdt de Belastingdienst/Toeslagen, op verzoek, bij de verrekening van een voorschot met die toeslagschuld, er rekening mee dat belanghebbende een bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dat overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet. In afwijking van wat in de eerste en tweede alinea van dit artikel is geregeld, is in deze gevallen geen sprake van een betalingsregeling.
De Dienst Toeslagen kan als de belanghebbende of de in artikel 3 Awir bedoelde partner over vermogen in de zin van artikel 12, eerste tot en met vierde lid, van de regeling beschikt, waarvan het onredelijk bezwarend is dit liquide te maken als bedoeld in artikel 7, zevende lid, Uitvoeringsregeling Awir (hierna: illiquide vermogen), op verzoek een verlengde persoonlijke betalingsregeling toekennen met inachtneming van het volgende.
Eventuele bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) worden op het vermogen in mindering gebracht.
De Dienst Toeslagen verlengt de persoonlijke betalingsregeling van 24 maanden met maximaal 48 maanden. Bij de maandelijkse termijnbetalingen houdt de Dienst Toeslagen rekening met de betalingscapaciteit van de belanghebbende. Deze wordt overeenkomstig artikel 79.8 van deze leidraad vastgesteld. In de periode waarmee de persoonlijke betalingsregeling is verlengd, lost de belanghebbende in beginsel een bedrag af gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen. Wanneer de betalingscapaciteit onvoldoende is om in een periode van 48 maanden een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen af te lossen wordt maandelijks een bedrag afgelost gebaseerd op de aanwezige betalingscapaciteit. Wanneer de belanghebbende niet over enige betalingscapaciteit beschikt wordt een betalingsregeling voor maximaal 72 maanden toegekend waarin, zolang er geen betalingscapaciteit is, niet afgelost hoeft te worden.
Als de omstandigheden op grond waarvan de betalingsregeling is toegekend veranderen, is de belanghebbende verplicht de Dienst Toeslagen zo spoedig mogelijk hierover te informeren. Voorts kan de Dienst Toeslagen jaarlijks beoordelen of er sprake is van een verandering van het inkomen. Als blijkt dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden van het inkomen, berekent de Dienst Toeslagen opnieuw de betalingscapaciteit van de belanghebbende en past het maandbedrag zo nodig aan. Wanneer een betalingsregeling is toegekend waarin de belanghebbende een bedrag aflost gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen of de toeslagschuld past de Dienst Toeslagen na verloop van 24 maanden de betalingsregeling alleen aan als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld. Wanneer de belanghebbende een lager bedrag aflost dan de (over)waarde van het illiquide vermogen of de toeslagschuld past de Dienst Toeslagen de betalingsregeling ook aan wanneer de betalingscapaciteit naar boven moet worden bijgesteld. In dit laatste geval zal het maandelijks af te lossen bedrag worden verhoogd.
Belanghebbende kan tijdens de looptijd van een verlengde betalingsregeling te maken krijgen met een nieuwe terugvordering. De Dienst Toeslagen kan deze terugvordering op verzoek van een belanghebbende meenemen in de verlengde betalingsregeling. De looptijd van de verlengde betalingsregeling blijft ongewijzigd. Nieuwe terugvorderingen kunnen tot 4 jaar gerekend vanaf de datum van het besluit waarbij de verlengde betalingsregeling is vastgesteld worden meegenomen.
Als een belanghebbende of de in artikel 3 Awir bedoelde partner over vermogen in de zin van artikel 12, eerste tot en met vierde lid, van de regeling beschikt, waarvan het niet onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken, kent de Dienst Toeslagen pas na aanwending van dit vermogen een verlengde betalingsregeling toe.
De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een verlengde betalingsregeling af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling. De Dienst Toeslagen beëindigt de betalingsregeling als de gerechtigdheid tot het illiquide vermogen wijzigt. De betalingsregeling wordt eveneens beëindigd wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet. Wanneer de betalingsregeling wordt beëindigd kan de Dienst Toeslagen de invordering aanhouden voor een redelijke termijn zodat de belanghebbende het vermogen liquide kan maken dan wel op een andere manier een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het vermogen kan voldoen. Dit geldt eveneens wanneer de Dienst Toeslagen de betalingsregeling afwijst.
Als de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal de Dienst Toeslagen na afloop van die betalingsregeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld. Hetzelfde geldt wanneer de belanghebbende een verlengde betalingsregeling is toegestaan als bedoeld in artikel 79.8b en er nog een openstaande schuld is na afloop van de regeling.
Als aan de hand van de gegevens op het door de belanghebbende ingevulde vragenformulier is vastgesteld dat hij niet over enige betalingscapaciteit beschikt, dan zal Dienst Toeslagen de belanghebbende na die vaststelling meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de toeslagschuld in kwestie.
In de hiervoor genoemde situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat gedurende 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de mededeling, eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting – voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald – zullen worden verrekend met de buiten de invordering gelaten schuld.
Voor de toepassing van artikel 8 Uitvoeringsregeling Awir merkt Dienst Toeslagen een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een terugvorderingsbeschikking of een herzieningsverzoek van een terugvorderingsbeschikking aan als een verzoek om uitstel van betaling. In beginsel verleent de Dienst Toeslagen het uitstel, tenzij de belanghebbende ter zake van de betreffende tegemoetkoming of het voorschot daarop onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel de belangen van de Staat zich tegen het verlenen van uitstel verzetten.
Een beroepschrift, een ingesteld hoger beroep of een verzoek om ambtshalve herziening, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die situaties verzoekt de belanghebbende afzonderlijk om uitstel van betaling.
De Dienst Toeslagen kan uitstel van betaling verlenen voor een bestuurlijke boete in verband met een gemotiveerd bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete.
De Dienst Toeslagen kan een betalingsregeling treffen voor een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 79.7 en 79.8. In afwijking van deze artikelen geldt dat de betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.7 voor bestuurlijke boeten alleen op schriftelijk verzoek kan worden toegekend en aflossing niet middels verrekening van de maandelijks uit te keren voorschotten zal plaatsvinden. In geval een betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.8 wordt toegekend voor een bestuurlijke boete, geldt geen maximumtermijn van 24 maanden maar loopt de betalingsregeling voor de boete door totdat de belanghebbende het volledige bedrag van de boete heeft betaald. In het geval de belanghebbende ook een of meer betalingsregelingen met de Belastingdienst heeft getroffen voor de betaling van toeslag- of belastingschulden, wordt de betalingscapaciteit primair ingezet voor de nakoming van de betalingsregeling(en) voor toeslag- of belastingschulden. Het beleid met betrekking tot de toezegging dat geen invorderingsmaatregelen meer worden genomen als bedoeld in artikel 79.9, is niet van toepassing op bestuurlijke boeten.
De partner van de belanghebbende – als bedoeld in artikel 3 Awir – is op grond van artikel 33 van de Awir aansprakelijk voor de schuld die voortvloeit uit een toeslagschuld die de belanghebbende onbetaald laat. In overeenstemming met de Awir zal de partner alleen aansprakelijk worden gesteld voor zover die ook feitelijk partner van de belanghebbende was gedurende de periode waarop de toeslagschuld betrekking heeft.
Een nieuwe partner kan dus niet aansprakelijk worden gesteld voor een toeslagschuld die betrekking heeft op de periode waarin er nog geen sprake was van partnerschap.
In aansluiting op artikel 33 van de Awir beschrijft dit artikel het beleid dat de Dienst Toeslagen hanteert bij de toepassing van de wettelijke aansprakelijkheid van derden voor terugvorderingen die samenhangen met toeslagen die zijn uitbetaald op een bankrekening waarover die derde heeft kunnen beschikken.
als de Dienst Toeslagen toeslagen heeft uitbetaald aan:
een lid van de NVVK in het kader van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK;
een gemeente in het kader van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK of overeenkomsten met dezelfde strekking;
een derde die voldoet aan de norm NEN-ISO 9001 en die in het kader van de uitvoering van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer als hiervóór bedoeld of een overeenkomst met dezelfde strekking:
een subsidiebeschikking heeft ontvangen van een gemeente, of
een contract heeft met een zorgkantoor voor het leveren van zorg in natura ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
een curator;
een bewindvoerder,
gaat de Dienst Toeslagen alleen over tot aansprakelijkstelling als:
het aan opzet of grove schuld van de schuldhulpverlener, de gemeente, de derde, de curator of de bewindvoerder te wijten is dat onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt die ten grondslag hebben gelegen aan de terugvordering, of
de schuldhulpverlener, de gemeente, de derde, de curator of de bewindvoerder financieel voordeel heeft gehad van de te hoge of onterecht uitbetaalde toeslagen;
als de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag heeft uitbetaald op de bankrekening van een kinderopvanginstelling die een ‘partnerschapsovereenkomst één rekeningnummer’ (POBR1) heeft gesloten met de Dienst Toeslagen, gaat de Dienst Toeslagen alleen over tot aansprakelijkstelling als de kinderopvanginstelling in strijd met de Awir, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen of de op die wetten berustende bepalingen of in strijd met de voorwaarden die zijn opgenomen in de POBR1 handelt of heeft gehandeld;
als de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag heeft uitbetaald op de bankrekening van een kinderopvanginstelling die een convenant heeft gesloten met de Dienst Toeslagen waarin zij hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaardt voor terug te vorderen bedragen die samenhangen met de rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling uitbetaalde kinderopvangtoeslag, geldt de in onderdeel 2 beschreven inperking van de mogelijkheid tot aansprakelijkstelling niet. Het bepaalde in artikel 49.6 van deze leidraad is hierbij van overeenkomstige toepassing;
als de Dienst Toeslagen aan een derde een toeslag heeft uitbetaald van iemand die niet beschikt over een bankrekening op zijn naam en door zijn geestelijke of lichamelijke toestand niet in staat is om een bankrekening op zijn naam te openen, gaat de Dienst Toeslagen alleen over tot aansprakelijkstelling als die derde:
financieel voordeel heeft gehad van de te hoge of onterecht ontvangen toeslagen, of
wist of behoorde te weten dat de toeslag te hoog was of dat er geen recht bestond op de toeslag.
Voorheen art. 79.15.
Derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat der Nederlanden (het organisatieonderdeel Dienst Toeslagen). Dat organisatieonderdeel van de Belastingdienst is het bestuursorgaan dat op grond van de Awir is belast met de uitbetaling van de toeslagen.
Een gelegd beslag onder (de ontvanger van) de regiokantoren is niet rechtsgeldig. In die gevallen meldt (de ontvanger van) het regiokantoor op het verklaringsformulier geen toeslag verschuldigd te zijn en wordt voor nadere informatie verwezen naar Dienst Toeslagen.
Voorheen art. 79.11.
Een gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen ten laste van een schuldenaar is bevoegd aan Dienst Toeslagen te vragen of er periodieke betalingen worden verricht aan de schuldenaar. Artikel 67.2 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gerechtsdeurwaarder in zijn verzoek om informatie duidelijk moet maken dat hij handelt in opdracht van een schuldeiser die bevoegd is beslag te leggen op een toeslag.
In de uitoefening van invorderingstaken door Dienst Toeslagen kan de Staat betrokken worden in een procedure voor de civiele rechter. In zaken waarin procesvertegenwoordiging verplicht is, zal de rijksadvocaat optreden als procesvertegenwoordiger.
Voorheen art. 79.13.
De Dienst Toeslagen houdt de invordering van de toeslagschuld aan als er een verzoekschrift is ingediend bij Zijne Majesteit de Koning, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer of de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer de Staten-Generaal, de Nationale Ombudsman of het Ministerie van Financiën tot op dat verzoekschrift is beslist. De Dienst Toeslagen houdt de invordering van een toeslagschuld ook aan als de Belangenbehartiger een casus van de belanghebbende in behandeling heeft genomen. De Dienst Toeslagen doet dit tot het moment waarop behandeling van de casus door de Belangenbehartiger definitief is afgerond. Als naar het oordeel van de Dienst Toeslagen aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad, kunnen na voorafgaande toestemming van het ministerie toch invorderingsmaatregelen getroffen worden.
Voorheen art. 79.14.
Als de Dienst Toeslagen, met gebruikmaking van de mogelijkheid in artikel 25, derde lid, van de Awir, toeslagen aan een derde uitbetaalt, stopt zij hiermee in de volgende situaties:
Op het moment dat de derde failliet is verklaard of hem surseance van betaling is verleend.
Als het faillissement van de derde is aangevraagd of door de derde aangifte tot faillietverklaring is gedaan.
Het beleid zoals beschreven in de artikelen 10 tot en met 10.7 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing op de versnelde invordering van toeslagen.
Artikel 7.2 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing bij de betaling van toeslagschulden.
Artikel 75.6 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van toeslagschulden.
Artikel 28.2 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van toeslagschulden.
Artikel 79
Invordering van een toeslagschuld (Awir)
Onderdeel van Leidraad Invordering 2008· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 26 juni 2026