Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Het internationale juridische kader

Onderdeel van Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.)· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2009

Aan de basis van de internationale samenwerking op strafrechtelijk terrein ligt een aantal beginselen. In dit kader kunnen onder meer genoemd worden: het soevereiniteitsbeginsel (iedere staat is op zijn eigen grondgebied bij uitsluiting bevoegd te handelen overeenkomstig zijn eigen rechtsorde); het vertrouwensbeginsel (in het kader van internationale rechtshulp hebben verdragslanden een zeker vertrouwen in hun wederzijdse rechtssystemen); het specialiteitbeginsel of doelbindingsprincipe (informatie mag uitsluitend gebruikt worden voor de door het verstrekkende land bepaalde doeleinden); het wederkerigheidsbeginsel (reciprociteit: staten presteren slechts jegens elkaar als de wederpartij zich tot een overeenkomstige prestatie bereid verklaart).3Zie Van der Bel, Van Hoorn en Pieters, Informatie en opsporing, Zutphen: Kerckebosch/Studiecentrum Rechtspleging 2007, pagina 241 e.v. In de volgende paragrafen zullen enkele beginselen nader worden besproken. In de Europese Unie (EU) vindt de uitwisseling van informatie tussen de politiediensten voornamelijk plaats op grond van artikel 39 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO), waarin is opgenomen dat ‘...politiediensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, voor zover het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten (lees: rechter en officier van justitie) is voorbehouden en (...) geen dwangmiddelen behoeven te worden toegepast. Wanneer de aangezochte politieautoriteiten tot de afdoening van een verzoek niet bevoegd zijn, zenden zij dit aan de bevoegde autoriteiten door.’ In lid 2 van voornoemd artikel 39 is het uitgangspunt opgenomen dat schriftelijke informatie slechts door het verzoekende land als bewijsmiddel gebruikt mag worden met toestemming van de bevoegde justitiële autoriteiten van de aangezochte staat. Artikel 27 van het Verdrag van Prüm4Verdrag inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie van mei 2005. De basiselementen van het Verdrag zijn opgenomen in het juridisch kader van de EU (zie het Raadsbesluit 2008/615/JBZ van 23 juni 2008). Per 1 juli 2008 is het in werking getreden voor: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Hongarije, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Slovenië en Spanje (bron: www.minbuza.nl/verdragen onder ‘verdragenbank’). bouwt voort op dit artikel 39 SUO, vult dit aan en voorziet in een dwingende regeling met betrekking tot het verlenen van de gevraagde bijstand. In lid 2 wordt een aantal vormen van bijstand, dat in ieder geval onder de bepaling moet vallen, benoemd. In lid 3 is de doorzendplicht aan de bevoegde autoriteit (lees: OM) opgenomen, wanneer de aangezochte autoriteit (lees: politie) niet bevoegd is. In artikel 46 SUO is te lezen dat spontane (d.w.z. zonder een daartoe strekkend buitenlands verzoek) informatie-uitwisseling mogelijk is, als de informatie voor het ontvangende land van belang is ter bestrijding van toekomstige strafbare feiten, ter voorkoming van strafbare feiten en ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid.5In artikel 7 van de EU rechtshulpovereenkomst van 29 mei 2000 (Trb. 2000, 86) wordt de spontane informatie-uitwisseling ook mogelijk gemaakt voor justitiële autoriteiten. Politiële verzoeken worden gezonden naar het aangezochte land door tussenkomst van de met de internationale politiesamenwerking belaste centrale autoriteiten. In Nederland is deze centrale autoriteit het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) te Zoetermeer, de dienst Internationale Politiesamenwerking (IPOL).6De dienst IPOL vormt met het Landelijk Parket het LIRC. In spoedeisende gevallen en in de grensregio’s kan de informatie-uitwisseling rechtstreeks plaatsvinden (zie ook paragraaf 5). Binnen de dienst IPOL zijn verschillende informatiekanalen aanwezig waarlangs het verzoek kan worden verzonden: het Schengen Informatie Systeem, Interpol7Interpol is een wereldwijd netwerk van nationale contactpunten of bureaus voor de uitwisseling van politiële informatie of waarlangs (justitiële) rechtshulpverzoeken kunnen worden verzonden en is niet gebaseerd op een verdrag. Momenteel zijn er 187 landen bij aangesloten en het hoofdkantoor is gevestigd te Lyon. Aangezien bij Interpol landen zijn aangesloten waarmee Nederland geen rechtshulprelatie onderhoudt (bijvoorbeeld vanwege de mensenrechtensituatie in het betreffende land) kan niet in alle gevallen informatie worden uitgewisseld. In voorkomende gevallen moet de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het ministerie van Justitie worden betrokken., Europol8Eén van de belangrijkste taken van Europol is het vergemakkelijken van de uitwisseling van de informatie tussen de lidstaten van de EU, naast het verzamelen en analyseren van informatie. Ten behoeve van de taakstelling van Europol zijn in de lidstaten nationale eenheden aangewezen. Voor Nederland is deze eenheid de dienst IPOL van het KLPD. Alle nationale eenheden hebben een vooruitgeschoven post bij Europol in Den Haag, de zogenaamde desken, die zorgdragen voor de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten. Een belangrijk informatiesysteem is het Europol Informatie Systeem (EIS). Dit is een databank met operationele indicatoren van rechercheonderzoeken die in de verschillende lidstaten lopen: de Europese evenknie van het nationale VROS. en de (buitenlandse) verbindingsofficieren.9Voor Nederland zijn de verbindingsofficieren (Liaison Officers, kortweg LO’s genoemd) in het buitenland een vooruitgeschoven post van de dienst IPOL van het KLPD. Met betrekking tot de informatieverstrekking aan in Nederland gestationeerde buitenlandse verbindingsofficieren (Foreign Liaison Officers, of FLO’s) kunnen afspraken worden gemaakt met de staat die de LO heeft uitgezonden. Voor een in het buitenland gestationeerde Nederlandse LO geldt dat hem op gelijke voet informatie kan worden verstrekt als wanneer hij in Nederland zou zijn. Bij verstrekking door de LO aan buitenlandse politieautoriteiten blijft de LO daarbij gebonden aan het bepaalde in de Nederlandse wet- en regelgeving. Een nieuwe ontwikkeling in dit kader betreft de implementatie van het al vastgestelde ‘Zweeds Kaderbesluit’.10Voluit: het Kaderbesluit van de Raad betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de EU van 18 december 2006 (2006/960/JBZ). Overigens is in artikel 12 van dit Zweeds Kaderbesluit geregeld dat het bepaalde in artikel 39 leden 1, 2 en 3 en in artikel 46 van de SUO, voor zover het betrekking heeft op de uitwisseling van informatie en inlichtingen ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek of een criminele inlichtingenoperatie, wordt vervangen door het bepaalde in het Kaderbesluit. Het doel van dit Kaderbesluit is de informatie-uitwisseling te bespoedigen tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van voorkomen, onderzoeken of opsporen van strafbare feiten. De informatie-uitwisseling moet binnen een vastgestelde tijdslimiet plaatsvinden (spoedeisende verzoeken in beginsel binnen acht uur). Het gaat specifiek om de uitwisseling van informatie en inlichtingen die voorhanden zijn bij genoemde autoriteiten11Nederland heeft (voorlopig) als verklaring bij artikel 2 onder a van het Kaderbesluit opgenomen dat onder het begrip ‘nationale rechtshandhavingsautoriteit’ valt: de politie Nederland, Korps Landelijke Politiediensten., en alle informatie waartoe deze autoriteiten toegang hebben of waar ze, zonder gebruik te hoeven maken van dwangmiddelen, toegang toe kunnen krijgen. Uitgangspunt hierbij is dat het op verzoek internationaal verstrekken van informatie aan een andere lidstaat niet aan meer voorwaarden is gebonden dan de voorwaarden, die bij onderlinge nationale uitwisseling van informatie binnen een lidstaat gelden. Ook wordt uitgegaan van een plicht om aan een verzoek tot informatieverstrekking te voldoen, waarbij degene die het verzoek indient, handelt overeenkomstig het nationale recht. Het Kaderbesluit ziet niet op de uitwisseling van informatie ten behoeve van gebruik als bewijs in een strafzaak. Verder zijn twee belangrijke voorwaarden opgenomen in artikel 129 SUO dat op de verstrekking op grond van artikel 46 SUO ziet, namelijk het beginsel van doelbinding (zie paragraaf 3.1) en het verbod op doorverstrekking van gegevens aan andere diensten zonder voorafgaande toestemming van het verstrekkende land. Doelbinding is ook opgenomen in artikel 8 van het Zweeds Kaderbesluit en artikel 35 van het Verdrag van Prüm. Het verbod op doorverstrekking is in artikel 36 van het Verdrag van Prüm opgenomen. Van belang is dat in de genoemde artikelen van de SUO, het Zweeds Kaderbesluit en van het Verdrag van Prüm verwezen wordt naar het nationale recht. Informatie kan slechts worden uitgewisseld met inachtneming van de regels van het nationale recht. Dat geldt ook nadrukkelijk voor de verdragen van Enschede en Senningen.12- Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden: Verdrag van Enschede van 2 maart 2005, Trb. 2005, 86 en 241;- Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden: Verdrag van Senningen van 8 juni 2004, Trb. 2005, 35. Voor de internationale informatie-uitwisseling blijft het Nederlands recht dus van evident belang.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel