Titel X van het Vierde Boek van Sv ziet slechts op de inkomende rechtshulpverzoeken. Artikel 552h geeft aan dat de titel ziet op de verzoeken om rechtshulp, die zijn gedaan in verband met een strafzaak. Er moet dus sprake zijn van een strafrechtelijke buitenlandse procedure in de fase van opsporing, vervolging, behandeling ter terechtzitting en executie. De gepleegde feiten moeten naar het recht van de verzoekende staat strafbaar zijn. Bij wederzijdse rechtshulp (d.w.z. de politiële en justitiële rechtshulp)13Zie ook Tekst en Commentaar: Internationaal strafrecht. Tweede druk, pagina 41. is dubbele strafbaarheid in beginsel niet vereist. Wanneer echter dwangmiddelen op Nederlands grondgebied moeten worden ingezet voor de uitvoering van het buitenlands rechtshulpverzoek, is strafbaarheid naar Nederlands recht voor die gedragingen uiteraard wel vereist.
Artikel 552i Sv vormt, naast de artikelen 552j en 552n Sv, de grondslag voor de centrale positie van de officier van justitie binnen het rechtshulpverkeer. In artikel 552i is beschreven wanneer de politie een rechtshulpverzoek zelfstandig kan afhandelen en wanneer de officier van justitie bij beantwoording van het rechtshulpverzoek exclusief gekend moet worden.
Volgens dit artikel kan de politie zelfstandig een rechtshulpverzoek afhandelen, wanneer het verzoek kan worden ingewilligd zonder toepassing van dwangmiddelen (dat wil zeggen hetgeen door het wetboek van Strafvordering of een bijzondere strafwet uitdrukkelijk als dwangmiddel wordt aangemerkt) en het wettelijk niet aan de officier van justitie of de rechter-commissaris is voorbehouden de verzochte gedragingen uit te voeren (bijvoorbeeld de bijzondere opsporingsbevoegdheden).
Zo is het voor de politie mogelijk om inlichtingen, zoals het horen van een getuige die bereid is een verklaring af te leggen, zelfstandig af te handelen (zie echter in dit kader aandachtspunt 4 van paragraaf 4.2 hieronder). Op de vraag waar de grens ligt tussen zelfstandige afdoening door de politie en tussenkomst door de officier van justitie wordt hieronder nader ingegaan.
De bevoegdheid van de politie om een rechtshulpverzoek zelfstandig af te handelen bestaat in de volgende gevallen:
Als wordt verzocht om politiegegevens. In geval om informatie wordt gevraagd die geheel of gedeeltelijk afkomstig is uit een bestand waarin politiegegevens zijn opgenomen, zegt artikel 17 van de Wet politiegegevens dat deze politiegegevens aan politieautoriteiten in het buitenland kunnen worden verstrekt, voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland of de politietaak in het desbetreffende land. Verder kunnen politiegegevens worden verstrekt aan Interpol en Europol. In lid 5 van artikel 17 staat dat politiegegevens alleen worden verstrekt als bij de ontvangende instantie voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een juist gebruik en voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Blijkens de parlementaire geschiedenis mag voor de landen die lid zijn van de Raad van Europa worden verwacht dat aan dit criterium wordt voldaan. Voor die landen waarvoor dat niet het geval is, zal per geval afzonderlijk moeten worden overwogen of, gelet op de aard van het gegeven en het doel waarvoor het wordt gevraagd en met inachtneming van wat in het algemeen over het land bekend is, de verstrekking van het gegeven gerechtvaardigd is.14Zie de MvT bij de Wet politiegegevens (Kamerstukken II 2005/2006, 30327, nr. 3, pagina 72 en 73) en de Nota van Toelichting bij het Besluit Politiegegevens (Staatsblad 2007, 550, pagina 86). In voorkomende gevallen kan de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het ministerie van Justitie worden betrokken. Dit geldt specifiek voor de gevallen waarin sprake is van verstrekking van politiegegevens aan landen waarbij mensenrechten- en veiligheidsrisico’s kunnen spelen.
Zolang geen opsporingsbevoegdheden die expliciet zijn opgenomen in lid 2 van artikel 552i nodig zijn voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen. Het gaat daarbij om de artikelen 126g t/m 126z (de bijzondere opsporingsbevoegdheden), artikelen 126zd t/m 126zu (opsporing van terroristische misdrijven), artikel 126gg (verkennend onderzoek) en artikel 126ff (verbod op doorlaten). In het Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden15Staatsblad 1999, 549. Laatstelijk gewijzigd i.v.m. Besluit Politiegegevens: Staatsblad 2007, 550. is een aantal van deze bevoegdheden nader uitgewerkt.
Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor de artikelen 126nc en 126uc, die vallen onder bovengenoemde artikelen 126g t/m 126z en hiervan niet zijn uitgezonderd. Deze artikelen bieden de opsporingsambtenaar de bevoegdheid in bepaalde gevallen gegevens te vorderen van derden. Nationaal heeft de politie dus de bevoegdheid deze gegevens zelfstandig te vorderen. Als dit plaatsvindt op basis van een rechtshulpverzoek zal tussenkomst van de officier van justitie vereist zijn.16De Wet Bevoegdheden Vorderen gegevens is het resultaat van de conclusies en aanbevelingen die de Commissie Strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij (de commissie-Mevis) in haar rapport van 14 mei 2001 heeft aangegeven. Door de invoering van deze wet mogen politie en justitie géén vrijwillige afgifte van gegevens meer vragen (in de artikelen 126nc/uc–126nh/uh Sv wordt een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van gegevens, namelijk de identificerende gegevens, gevoelige gegevens en overige gegevens). Er moet gebruik gemaakt worden van de nieuwe bevoegdheden. Op grond van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens kunnen in beginsel bij derden gegevens worden opgevraagd over elke persoon van wie de gegevens van belang kunnen zijn voor het onderzoek, zoals een slachtoffer of een bekende van de verdachte. De bevoegdheden tot het vorderen van gegevens geven dan ook de mogelijkheid om gegevens te vorderen van een groep van personen, zoals de passagiers van een vliegtuig, hotelgasten, werknemers of leerlingen. De regeling van de artikelen 126nc/uc–126nh/uh Sv is dus niet beperkt tot een verdachte. De kring van personen van wie gegevens gevorderd kunnen worden, wordt echter wel beperkt door het belang van het opsporingsonderzoek. De officier van justitie is veelal degene die de bevoegdheid heeft een vordering te doen.
Als de toepassing van dwangmiddelen niet nodig is voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen.
Zolang de gevraagde informatie niet wordt gebruikt als bewijsmiddel.17In dit kader is van belang het ontwerp-Kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel (EBB) ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (zie COPEN 132, 21 december 2007, 13076/07). Dit Kaderbesluit ziet op het verkrijgen en overdragen van ‘bestaand bewijs’. Het is ook van toepassing op de verstrekking van gegevens die al in het bezit zijn van opsporingsinstanties (bijvoorbeeld politiegegevens) en die worden gevraagd ten behoeve van het bewijs in een strafzaak in de uitvaardigende lidstaat. Voor Nederland is zowel de uitvaardigende als de uitvoerende autoriteit een rechter of officier van justitie. Hier geldt, zoals eerder in paragraaf 3 te lezen was, dat op grond van artikel 39 SUO schriftelijke informatie slechts door het verzoekend land als bewijsmiddel gebruikt mag worden met toestemming van de bevoegde justitiële autoriteiten van de aangezochte staat. In het politiële rechtshulpverkeer moet dan ook vermeld staan dat de inhoud van het bericht niet als bewijs mag worden gebruikt in een strafrechtelijke procedure dan wel in het strafdossier ter terechtzitting als zodanig aan rechter en verdediging mag worden voorgelegd. Voor landen die niet zijn aangesloten bij de SUO geldt het vorenstaande eveneens onverkort, tenzij een bilateraal verdrag anders zou bepalen. Informatie kan slechts als bewijsmiddel worden gebruikt, als deze is verkregen van de bevoegde justitiële autoriteiten (voor Nederland: officier van justitie en rechter).
Wanneer wordt gevraagd om (gedeelten uit) proces(sen)-verbaal die zich in een strafdossier bevinden, moeten deze verzoeken uit het buitenland worden doorgestuurd naar de officier van justitie. Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal dat door de politie is opgemaakt van een getuigenverhoor, ook al is die getuige vrijwillig verschenen.
Het gevraagde mag geen betrekking hebben op de toepassing van grensoverschrijdende observaties en verzoeken tot gecontroleerde afleveringen. Voor grensoverschrijdende observaties eventueel in combinatie met een verzoek tot gecontroleerde aflevering is de Aanwijzing rechtshulpverzoeken voor grensoverschrijdende observaties van toepassing (2006A003).18Staatscourant 2006, 57. De officier van justitie van het Landelijk Parket (d.i. de rechtshulpofficier van justitie van het LIRC) is in artikel 40 lid 5 SUO aangewezen als de autoriteit die de toestemming van inkomende verzoeken tot observatie moet verlenen. Deze schrijft voor dat een bevel van de officier van justitie krachtens artikel 126g c.q. artikel 126o Sv nodig is.
Het gevraagde mag geen betrekking hebben op CIE-informatie. Het verstrekken van CIE-informatie aan het buitenland vindt plaats met toestemming van de CIE-officier van justitie.19Of: de informatieofficier van justitie. Zie in dit kader ook artikel 5:1 lid 6 Besluit Politiegegevens. Zie hiervoor tevens de Nota van Toelichting bij het Besluit Politiegegevens van 14 december 2007 die dit in dezelfde bewoordingen bepaalt.20Staatsblad 2007, 550, pagina 92 en 94. De (feitelijke) verstrekking vindt – behalve in spoedeisende gevallen – plaats door tussenkomst van de Nationale Criminele Inlichtingen Eenheid (NCIE).
Het gevraagde mag geen betrekking hebben op de wettelijke absolute en relatieve weigeringsgronden (artikelen 552k, 552l, 552m Sv). Wanneer er sprake is van een lopende vervolging in Nederland of indien het ‘ne bis in idem’-beginsel wordt geschonden, moet het verzoek om rechtshulp worden geweigerd. Het verzoek moet conform artikel 552l lid 2 Sv worden voorgelegd aan het ministerie van Justitie bij vrees voor een discriminatoire vervolging. Wanneer een rechtshulpverzoek betrekking heeft op politieke of fiscale delicten, moet een machtiging worden verkregen van het ministerie van Justitie, conform artikel 552m Sv, voordat het rechtshulpverzoek kan worden uitgevoerd. De minister van Justitie kan een aanwijzing geven dat een rechtshulpverzoek niet kan worden uitgevoerd. Op basis van artikel 552k lid 2 wordt een dergelijk rechtshulpverzoek geweigerd.
Het gevraagde mag geen betrekking hebben op justitiële gegevens/justitiële documentatie. Justitiële documentatie kan conform de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit justitiële gegevens niet door de politie aan het buitenland verstrekt worden. Wel kan de politie uit haar eigen politiebestand HerKenningsdienst Systeem (HKS) op grond van het Besluit Politiegegevens (zie paragraaf 4.3) informatie verstrekken en deze eigen informatie, alvorens te sturen naar het buitenland, controleren bij de Justitiële Informatiedienst. Het voorschrift blijft dan gelden, zoals hierboven al gemeld, dat deze politiële informatie niet als bewijs mag worden gebruikt in het buitenland.
Een nadere uitwerking van artikel 17 van de Wet Politiegegevens is te lezen in de artikelen 5:1 t/m 5:5 van het Besluit politiegegevens. In lid 1 van artikel 5:1 is de algemene bepaling opgenomen dat politiegegevens verstrekt kunnen worden aan autoriteiten in een ander land die zijn belast met de uitvoering van de politietaak, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland dan wel voor de goede uitvoering van de politietaak in het buitenland. Is dit laatste het geval, dan is verstrekking mogelijk ingeval van:
de opsporing van een ernstig misdrijf21‘Ernstig misdrijf’ is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Daarnaast is ‘verzoek’ niet opgenomen, waardoor ruimte wordt geboden voor spontane verstrekking (zie Nota van Toelichting bij het Besluit van 14 december 2007. Staatsblad 2007, 550, pagina 89). of de voorkoming van een ernstig gevaar voor de openbare orde of
een verzoek met betrekking tot een bepaald persoon of bepaald geval22Een verzoek is nodig van het buitenland met betrekking tot een concrete casus. Het gaat om de minder ernstige strafbare feiten (zie Nota van Toelichting bij het Besluit van 14 december 2007. Staatsblad 2007, 550, pagina 89). of
de uitvoering van taken ten dienste van justitie (ex artikel 1, sub g Politiewet) op grond van een verzoek met betrekking tot een bepaald persoon of een bepaald geval.
In lid 2 staat het belangrijke beginsel dat de gegevens slechts verder kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt (vergelijk hetgeen hierover is vermeld in paragraaf 3). Op verzoek kan de verantwoordelijke instemmen met de verdere verwerking van verstrekte gegevens voor een ander doel. Hierbij geldt ook dat een verzoek om al verstrekte gegevens te mogen gebruiken voor een ander doel, beschouwd moet worden als een nieuw verzoek. In dat geval zal opnieuw getoetst moeten worden of doorzending van het verzoek aan het OM verplicht is of dat een zelfstandige afdoening door de politie kan plaatsvinden.
Als gevolg van het tot stand gekomen Verdrag van Prüm en het Zweeds Kaderbesluit (zie hiervoor paragraaf 3.2) zijn in de artikelen 5:2 en 5:3 van het Besluit Politiegegevens ruimere bepalingen gecreëerd voor het verstrekken van politiegegevens binnen de EU. In artikel 5:2 is een verplichting opgenomen tot verstrekking van politiegegevens aan personen of instanties in een andere EU-lidstaat, die zijn belast met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, onder gelijke voorwaarden als aan politieambtenaren in Nederland, voor zover zij deze nodig hebben voor een goede uitvoering van de politietaak en behoudens hetgeen is vermeld onder lid 2. In dit lid 2 is opgenomen dat de verstrekking kan worden geweigerd of aan beperkende voorwaarden kan worden onderworpen in de volgende zeven gevallen:
de officier van justitie de benodigde toestemming om politiegegevens te verstrekken weigert;
essentiële nationale veiligheidsbelangen zouden worden geschaad;
het welslagen van een lopend onderzoek of een verwerking, bedoeld in artikel 10, lid 1, sub a van de Wet Politiegegevens (denk aan: CIE-taak) of de veiligheid van personen in gevaar zou worden gebracht;
duidelijk disproportioneel of irrelevant zou zijn met het oog op de doelen waarvoor om verstrekking van de gegevens is verzocht;
betrekking heeft op een strafbaar feit dat in Nederland strafbaar is gesteld met een gevangenisstraf van één jaar of minder;
betrekking heeft op politiegegevens die zijn verkregen van een andere lidstaat of van een derde land en deze geen toestemming geeft voor de verstrekking;
een geval genoemd in artikel 2:13: hieronder vallen onder andere onderzoeken die als embargo-onderzoek zijn aangemerkt en gegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10, lid 1, sub b van de Wet Politiegegevens. Voor een nadere uiteenzetting wordt verwezen naar de Aanwijzing Wet Politiegegevens, die in werking is getreden op 1 augustus 2008 (Stcrt. 2008, 142).
In het algemeen geldt dat de politie moet overleggen met de officier van justitie, als verstrekking van politiegegevens het opsporings- of vervolgingsbelang zou kunnen doorkruisen, omdat de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek zeggenschap moet kunnen uitoefenen over de verwerking en verstrekking van gegevens.23Het gezag van de officier van justitie vloeit mede voort uit artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 13 van de Politiewet 1993, naast uiteraard de in deze Aanwijzing aangehaalde artikelen uit titel X Sv. Zie in dit verband ook de Aanwijzing Wet politiegegevens (Stcrt. 2008, 142).
Naar aanleiding van het Verdrag van Prüm is in artikel 5:3 van het Besluit Politiegegevens de rechtstreeks geautomatiseerde verstrekking van bepaalde categorieën van politiegegevens, door middel vangegevensvergelijking, binnen de EU geregeld. Dit is tot nu toe uitsluitend mogelijk voor dactyloscopische gegevens.24De in het Verdrag van Prüm genoemde uitwisseling van DNA-profielen en kentekens vallen niet onder het regime van de Wet en het Besluit Politiegegevens, maar onder dat van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens respectievelijk de Wet bescherming persoonsgegevens (zie Staatsblad 2007, 550, pagina 95). Zie ook de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken i.v.m. het Verdrag van Prüm (Staatsblad 2007, 512, pagina 8 e.v.). Bij een ‘hit’ kan verstrekking van nadere gegevens plaatsvinden op basis van een rechtshulpverzoek (zie artikel 552h Sv).
Verder zijn in de artikelen 5:4 en 5:5 van het Besluit Politiegegevens bepalingen opgenomen in verband met verstrekking van politiegegevens binnen gemeenschappelijke onderzoeksteams25Zie voor dergelijke teams: Aanwijzing internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams (2008A007). Staatscourant 2008, 45. en aan Europol. Bij Europol moet ook gedacht worden aan het leveren van informatie aan het Europol Informatie Systeem (zie voetnoot 8). Daarnaast kan informatie geleverd worden aan een Analytical Work File (AWF), als sprake is van een lopend onderzoek of eventueel bij een afgerond onderzoek. Een dergelijke levering moet plaatsvinden in overleg met de officier van justitie onder wiens leiding het onderzoek loopt c.q. heeft gelopen. Uitgangspunt is dat informatie met Europol wordt gedeeld. Van het gebruik van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 4 lid 5 van de Europol overeenkomst26Voluit: de Overeenkomst o.g.v. Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de EU tot oprichting van een Europese Politiedienst. Trb. 1995/282 en 1998/209., moet slechts bij hoge uitzondering gebruik gemaakt worden.
Artikel 4
Nationale regelingen en bevoegdheidsverdeling tussen OM en politie
Onderdeel van Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.)· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2009