Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Uitgaande rechtshulpverzoeken

Onderdeel van Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.)· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2009

De uitgaande rechtshulpverzoeken voor de wederzijdse rechtshulp zijn niet nationaal wettelijk geregeld. Bepalend is dan (indien aanwezig) het verdrag, de wetgeving van de aangezochte staat en ons nationaal recht, omdat in het algemeen geldt dat aan het buitenland niet een verzoek kan worden gedaan dat in strijd is met het nationale recht. Als Nederlandse opsporingsdiensten gebruik willen maken van informatie afkomstig van een land waarmee een verdragsrelatie bestaat, geldt in eerste instantie het vertrouwensbeginsel. Nederland mag erop vertrouwen dat de verstrekte informatie op rechtmatige wijze in het betreffende land is verkregen en er geen gebreken aan kleven. Deze informatie mag, ook al is deze verkregen op een wijze (bijvoorbeeld opsporingsmethode) die strijdig is met Nederlands beleid of wetgeving, gebruikt worden in nationale opsporingsonderzoeken, tenzij duidelijk is dat sprake is van een flagrante schending van essentiële rechtsbeginselen, zoals het ‘fair trial’ beginsel en de ‘klassieke’ mensenrechten, zoals het verbod op marteling en onmenselijke behandeling.30Denk bijvoorbeeld aan het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM). Voorwaarde is wel dat in het Nederlands verzoek niet is verzocht om het gebruik van bijvoorbeeld opsporingsmethoden die op Nederlands grondgebied niet zijn toegestaan. Nederlandse opsporingsdiensten kunnen immers niet een bepaalde handeling verzoeken aan het buitenland die het Nederlands recht hun niet toestaat.

Rechtspraak bij dit artikel