De rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan:
de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau volgens afdeling 2.6.2;
de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau volgens afdeling 2.6.5;
het Europese media-aanbod, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel e;
het Stimuleringsfonds voor de journalistiek, genoemd in artikel 8.1;
de Raad voor cultuur, voor zover samenhangend met de advisering over radio, televisie, pers en andere vormen van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen bedrag;
het Commissariaat;
door Onze Minister bekostigd onderzoek in het belang van de massacommunicatie;
vervallen;
vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren;
vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief;
dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
het door Onze Minister aangewezen overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen; en
bijdragen voor de verzorging van media-aanbod van regionale en lokale publieke mediadiensten dat gericht is op minderheden.
Hoofdstuk 2 › Titel 2.6 › Afdeling 2.6.1
Artikel 2.146
Artikel 2.146
Onderdeel van Mediawet 2008· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2017