Een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c, is niet gelegen:
in een gebied waar het uitoefenen van het burgerluchtverkeer tijdelijk of blijvend is verboden op grond van artikel 5.10, eerste lid, van de Wet luchtvaart;
binnen een op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit luchtverkeer 2014 aangewezen openbaar oefengebied voor nood- of voorzorgslandingen van burgerluchtvaartuigen;
binnen een laagvlieggebied of onder of binnen een afstand van 3 zeemijlen van een laagvliegroute als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 9, eerste lid, van de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters, tenzij het gebruik zich beperkt tot vrijdagen na 17.00 uur plaatselijke tijd, zaterdagen, zondagen of nationale feestdagen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de onderdelen A, H en I
van artikel I van Besluit van 16 maart 2016 tot wijziging van het
Besluit burgerluchthavens en de Regeling Toezicht Luchtvaart in
verband met aanvullende bepalingen voor de ruimtelijke indeling van
beperkingengebieden in luchthavenbesluiten en ten aanzien van de
aanwijzing van luchtvaartuigen die mogen opstijgen of landen van een
terrein niet zijnde een luchthaven en enkele overige wijzigingen
(Stb. 2016/120) in werking treden.
Hoofdstuk 3 › § 2
Artikel 21
Artikel 21
Onderdeel van Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 21 oktober 2017