Bij opname in een AWBZ-instelling geldt de eigenwoningregeling nog twee jaar (artikel 3.111, vijfde lid, van de Wet IB 2001). Bij partners zal de andere partner (doorgaans) in de eigen woning blijven wonen. In dat geval geldt de eigenwoningregeling voor de gehele woning, ook als de woning (deels) eigendom is van degene die is opgenomen. Voorwaarde is wel dat sprake is van fiscaal partnerschap in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001.
Na verloop van twee jaar geldt de AWBZ-regeling niet meer en is het volgende van belang. Bij niet-tijdelijke opname in de AWBZ-instelling kunnen partners ervoor kiezen om niet als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt. Voor de opgenomen partner zal de AWBZ-instelling het hoofdverblijf zijn, terwijl de ander het hoofdverblijf thuis heeft. De fiscale partners hebben niet hetzelfde hoofdverblijf. Voor de toepassing van de eigenwoningregeling moeten beide echtgenoten gezamenlijk bij de aangifte kiezen dat de echtelijke woning als hoofdverblijf wordt aangemerkt (artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001). Die keuze wordt gemaakt door in het aangiftebiljet bij de eigenwoningvraag de inkomsten in te vullen van de woning waarin de partner nog woont. Omdat de inkomsten uit eigen woning een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel vormen, kunnen zij dit inkomen vrij aan elkaar toerekenen, dus ook aan de partner die in de instelling is opgenomen.
Artikel 5
Awbz-regeling. opname partner in een awbz-instelling
Onderdeel van Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 3 december 2009