In artikel 8, eerste lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (hierna: Bbrp) is aangegeven dat een AOE uitsluitend tot taak heeft op te treden indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. Hetzelfde artikel bepaalt vervolgens welke werkzaamheden de eenheid ter uitvoering van zijn taak mag uitvoeren. Dat betreft het verrichten van planmatige aanhoudingen, het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten, het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden, het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten en andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie. Voor de uitoefening van deze werkzaamheden is een AOE geoefend in het gebruik van bijzondere technieken en tactieken en kan deze worden uitgerust met bijzondere bewapening.
Gelet op de situaties waarin wordt opgetreden en de wijze waarop een AOE opereert, zal veelal sprake zijn van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De inzet kan dan ook worden beschouwd als het toepassen van een zwaar geweldmiddel, waarvoor toestemming van het bevoegd gezag nodig is conform artikel 6, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie).
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 4
Juridisch kader voor de inzet
Onderdeel van Circulaire Aanhoudings- en ondersteuningseenheden (AOE 'en)· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 20 november 2009