De officier van justitie zal ingevolge artikel 13 van de Politiewet 1993 toestemming moeten geven als het gaat om werkzaamheden die overwegend op het vlak van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde liggen. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende – in artikel 8, eerste lid, onder a, b en c, van het Bbrp genoemde – werkzaamheden: het verrichten van planmatige aanhoudingen, het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten en het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden. De burgemeester zal ingevolge artikel 12 van de Politiewet 1993 toestemming moeten geven als het gaat om werkzaamheden die overwegend op het vlak van de handhaving van de openbare orde liggen. Daarvan kan sprake zijn bij het assisteren bij het bewaken van objecten (artikel 8, eerste lid, onder d, van het Bbrp). Als er sprake is van inzet van een AOE ten behoeve van het beveiligen van objecten bij een concrete en ernstige dreiging, zal de AOE daarentegen in beginsel onder het gezag van het Openbaar Ministerie worden ingezet, gelet op de taak van het Openbaar Ministerie om in concrete gevallen ernstige strafbare feiten te voorkomen en te beëindigen.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 5
Bevoegd gezag
Onderdeel van Circulaire Aanhoudings- en ondersteuningseenheden (AOE 'en)· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 20 november 2009