Dit besluit richt zich op de kwalificatie van buitenlandse samenwerkingsverbanden en buitenlandse rechtsvormen die zich bezighouden met het drijven van een onderneming of het beleggen van vermogen ten einde daarmee voordelen te behalen. In het navolgende wordt alleen nog gesproken over samenwerkingsverbanden. Onder samenwerkingsverbanden wordt verstaan de naar buitenlands recht opgerichte dan wel aangegane samenwerkingsverbanden die vergelijkbaar zijn met lichamen in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de AWR, met uitzondering van de rechtsvormen die vergelijkbaar zijn met de vereniging, de stichting, het fonds voor gemene rekening (zie hiervoor het Besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1870M), de trust en overige doelvermogens. Rechtsvormen met één aandeelhouder of participant vallen voor de uitleg van dit besluit onder het begrip samenwerkingsverbanden. Onder de reikwijdte van het besluit vallen in ieder geval niet die samenwerkingsverbanden die naar Nederlandse maatstaven lijken op financieringsovereenkomsten of overeenkomsten van geldlening.
Dit besluit is van toepassing op de Wet Vpb, de Wet IB 2001 en de Wet DB.
Artikel 2
Reikwijdte
Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, dividendbelasting, Europees recht, kwalificatie rechtsvormen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 22 december 2009