Bij het opstellen van de onderhavige beleidsregels is er voor gekozen om zoveel mogelijk afstemming te zoeken met het gedachtegoed van het Plan onder Wvo. Daarnaast is er voor gekozen om de beleidsregels zoveel mogelijk aan te laten sluiten op het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Het waterkwaliteitsbeleid is in de beleidsregels verwerkt door de volgende uitgangspunten te formuleren:
het storten van baggerspecie in een winput mag niet significant bijdragen aan overschrijding van de waterkwaliteitsdoelstelling van het in de winput aanwezige oppervlaktewater;
het storten van baggerspecie in een winput mag niet leiden tot een significante verslechtering van de kwaliteit van het omringende of aangrenzende oppervlaktewaterlichaam of het oppervlaktewaterlichaam waarmee het in de winput aanwezige oppervlaktewater in verbinding staat;
het storten van baggerspecie in een winput mag niet leiden tot acuut toxische effecten voor waterorganismen.
Het eerste uitgangspunt geeft invulling aan het brongerichte spoor dat is gericht op het beperken van bestaande lozingen, emissies of verliezen uit bronnen, overeenkomstig artikel 10 van de Kaderrichtlijn Water. Naast de toepassing van beheersmaatregelen op basis van BBT is dit voor winputten vertaald in een eis voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De kwaliteit van het in de winput aanwezige oppervlaktewater mag het MTR niet overschrijden, zie Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren (2004). Voor die stoffen waarvoor de achtergrondkwaliteit van het in de winput aanwezige oppervlaktewater gelijk is aan of al slechter is dan het MTR mag de kwaliteit niet significant verslechteren. Een bijdrage wordt significant genoemd als deze groter is dan 10% van het MTR.
Indien bij een voorgenomen storting van baggerspecie wordt voldaan aan de toepasselijke kwaliteiteisen (uitgangspunt 1) dan kan worden aangenomen dat ook altijd wordt voldaan aan uitgangspunt 2 (bescherming van de waterkwaliteit van het omliggende of aangrenzende oppervlaktewater) en uitgangspunt 3 (bescherming van waterbewonende organismen). Indien niet kan worden uitgesloten dat, ondanks dat aan uitgangspunt 1 wordt voldaan, zich toch toxische effecten op organismen kunnen voordoen of dat een significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterkan optreden, dient dit met berekeningen voor de uitgangspunten 2 en 3 gecontroleerd te worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de belasting van de storting van baggerspecie (qua debiet) op het ontvangende oppervlaktewater erg groot is, omdat het om een relatief klein ontvangend oppervlaktewater gaat.
Voor specifieke situaties (bijvoorbeeld een winput in een haven) kan het toelaatbaar zijn om een ruimere invulling te geven aan het eerste uitgangspunt en een tijdelijke overschrijding van de MTR toe te staan. In deze beleidsregels is aangegeven om welke situaties het hier zou kunnen gaan. Bij deze specifieke situaties kan niet worden aangenomen dat ook altijd wordt voldaan aan uitgangspunt 2 en uitgangspunt 3. In deze beleidsregels wordt daarom een nadere invulling gegeven aan deze uitgangspunten.
Bij het tweede uitgangspunt gaat het om de bescherming van het omringende of aangrenzende oppervlaktewater. De storting van baggerspecie in de winput mag geen significante negatieve bijdrage leveren aan de waterkwaliteit van dit oppervlaktewater. Voor de uitwerking van dit uitgangspunt is het belangrijk om vast te stellen op welke locatie het effect van de storting moet worden bepaald. Hiervoor wordt aangesloten bij de huidige emissie-toets. In de emissie-toets wordt uitgegaan van een maatgevende afstand van de locatie waar de storting plaatsvindt. Bij de storting van baggerspecie in winputten is dit de locatie waar uitwisseling tussen de te storten stoffen en het oppervlaktewater plaatsvindt. Voor lijnvormige oppervlaktewaterlichamen is de maatgevende afstand een lengte van 10 keer de breedte van het watersysteem of maximaal 1000 meter. Voor meren en plassen is de maatgevende afstand afhankelijk van de oppervlakte, breedte en lengte van het meer dan wel de plas (zie tabel 3.2). Ook hier geldt een maximale afstand van 1000 meter. Op de maatgevende afstand mag de gemiddelde concentratieverhoging maximaal 0,1 x MTR bedragen.
Op een oppervlaktewaterlichaam vinden over het algemeen meerdere lozingen plaats. De cumulatieve effecten van deze lozingen moeten ook worden beschouwd. Op grond van de Wet op de waterhuishouding gebeurt dit voor rijkswateren in het Beheerplan rijkswateren en voor de overige wateren in de provinciale waterhuishoudingsplannen. In de toelichting op het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water wordt dit verder verduidelijkt aan de hand van voorbeelden. De belasting van individuele lozingen (zoals een storting van baggerspecie in een winput) worden hierbij in relatie tot het gehele watersysteem bezien. Deze overwegingen kunnen, naast de in deze beleidsregels voorgeschreven berekeningen, meegenomen worden bij het al dan niet afgeven van een Wvo-vergunning voor storting van baggerspecie in een winput.
Bij het derde uitgangspunt gaat het om de bescherming van waterbewonende organismen in het in de winput aanwezige oppervlaktewater. Om te voorkomen dat dit oppervlaktewater te sterk wordt verontreinigd door de storting van baggerspecie geldt een bovengrens. Hiervoor is het Ernstig Risico (ER) gekozen, zie Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren (2004). Het ER is een acute korte termijn-norm en betreft een maximaal toegestane piekconcentratie. Het ER mag niet meer dan vier achtereenvolgende dagen worden overschreden. De combinatie met het eerste uitgangspunt leidt er toe dat de mate van overschrijding beperkt blijft.
Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is milieuhygiënische voorwaarden te stellen aan het gebruik van onder meer baggerspecie ter bescherming van de bodem en het oppervlaktewater. De voorwaarden met betrekking tot baggerspecie zijn niet langer centraal gedicteerd, maar gaan uit van een eigen verantwoordelijkheid voor het bevoegd gezag om gebiedsgericht maatwerk te kunnen verrichten. Voor overheden die gebiedsgericht maatwerk niet noodzakelijk vinden, zijn generieke regels opgesteld.
Met de invoering van het Besluit bodemkwaliteit zijn de toepassingsmogelijkheden voor baggerspecie beter afgestemd op de daadwerkelijke risico’s van de toepassing van (licht) verontreinigd materiaal. Zo biedt het Besluit bodemkwaliteit de mogelijkheid om bij ‘grootschalige toepassing’ baggerspecie tot de Interventiewaarde te gebruiken voor het nuttig verondiepen van een winput, met als gevolg dat voor dit type storting geen Wvovergunning meer aangevraagd hoeft te worden. Voorwaarde is dan wel dat het gaat om een ‘nuttige’ en ‘functionele’ toepassing en dat voldaan moet worden aan de verdere voorwaarden voor grootschalige toepassingen als bedoeld in hoofdstuk 4, paragraaf 3, van het Besluit bodemkwaliteit. In alle gevallen geldt de in artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit vastgelegde zorgplicht, welke ertoe strekt dat degene die (onder meer) baggerspecie toepast zodanig zorgvuldig dient te handelen dat schade aan mens en ecosysteem wordt voorkomen.
Het Besluit bodemkwaliteit biedt niet voor alle baggerspecie een oplossing. Dit geldt bijvoorbeeld voor baggerspecie met gehalten aan verontreinigingen boven de maximale waarde voor toepassingen en situaties waarbij geen sprake is van een nuttige toepassing. Voor deze situaties blijft voor de storting van baggerspecie een Wvovergunning (en een Wet milieubeheer-vergunning) nodig. Die vergunningverlening dient echter wel goed te worden afgestemd op het Besluit bodemkwaliteit. Deze afstemming is als volgt vormgegeven.
In het Besluit bodemkwaliteit vormen binnen het generieke kader de Interventiewaarden voor waterbodems de bovengrens voor toepassingen van baggerspecie in oppervlaktewaterlichamen.
In paragraaf 4.10 van de nota van toelichting bij het Besluit bodemkwaliteit is aangegeven dat het grootschalig toepassen van baggerspecie met een kwaliteit die beter is dan de Interventiewaarden waterbodems niet leidt tot milieuhygiënische problemen. Ten aanzien van oppervlaktewater wordt hierover in paragraaf 4.10.3 het volgende gesteld: ‘De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt op dezelfde wijze beschermd als die van de bodem, namelijk door alleen baggerspecie toe te passen van gelijke of hogere kwaliteit. Daarnaast wordt een verspreidingsgrens gehanteerd, die recht doet aan de kwaliteit van het deelstroomgebied en die waar nodig vergelijkbaar is met het herverontreinigingsniveau. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door de kwaliteit van de waterbodem via processen van erosie, sedimentatie en diffusie. Het herschikken van baggerspecie binnen een systeem van dezelfde (of betere) kwaliteit leidt nauwelijks tot een merkbare verandering van de waterkwaliteit. De waterkwaliteit kan wel verslechteren bij de aanleg van grootschalige toepassingen, met name wanneer de aanlegfase geruime tijd in beslag neemt en de kwaliteit van de toe te passen baggerspecie slechter is dan de omgevingskwaliteit. In alle gevallen geldt de zorgplicht, zoals toegelicht in de toelichting bij artikel 7. Verder kunnen in de ministeriële regeling regels worden gesteld voor de bescherming van de waterkwaliteit.’
Het Besluit bodemkwaliteit is niet van toepassing op de storting van baggerspecie in een depot omdat een dergelijke storting geen nuttige toepassing is in de zin van het Besluit bodemkwaliteit. De normering voor de toepassing van baggerspecie op grond het Besluit bodemkwaliteit is echter wel bruikbaar voor de verlening van een Wvo-vergunning ten behoeve van de storting van baggerspecie. Om die reden wordt in deze beleidsregels de normering van het Besluit bodemkwaliteit (inclusief de zorgplicht van artikel 7) van overeenkomstige toepassing verklaard, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen gebiedseigen en gebiedsvreemde baggerspecie en de Emissietoetswaarden niet van toepassing zijn, zolang het materiaal voldoet aan de Interventiewaarden voor waterbodems.
Winputten die worden gebruikt voor de storting van baggerspecie zijn ten aanzien van de verspreiding van verontreinigingen naar bodem, grondwater en oppervlaktewater vergelijkbaar met grootschalige toepassingen in oppervlaktewater. Dit betekent dat ook voor winputten de storting van baggerspecie met een kwaliteit die beter is dan de Interventiewaarden voor waterbodems (baggerspecie) niet zal leiden tot milieuhygiënische problemen. Voor storting van dit materiaal kan dus in beginsel een Wvovergunning worden verleend. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de hierboven genoemde zorgplicht ten aanzien van het oppervlaktewater van overeenkomstige toepassing is. Ondanks het feit dat voldaan is aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit kunnen er toch nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater optreden (bijvoorbeeld in geval van niet genormeerde parameters). Er kunnen dan in de vergunning aanvullende voorwaarden worden opgenomen of er kan besloten worden om de in deze beleidsregels te doorlopen rekenstappen te volgen.
Met het oog op het minimaliseren van verspreiding naar oppervlaktewater (brongericht beleid) moeten daarnaast altijd beheersingsmaatregelen worden toegepast op basis van BBT.
In juni 2009 is er door de Deskundigencommissie Verheijen (hierna: de commissie) een rapport uitgebracht met betrekking tot het grootschalig toepassen van grond en baggerspecie in zandwinputten onder het Besluit bodemkwaliteit.1Verantwoord grootschalig toepassen van grond en baggerspecie, Rapport van de Deskundigencommissie, Juni 2009 De commissie adviseert in haar rapport om de normen ten aanzien van het gebruik van gebiedsvreemd materiaal klasse B en Industrie nog eens nader tegen het licht te houden. Ten tijde van de vaststelling van deze beleidsregels wordt er gewerkt aan een Handreiking waarin de conclusies van de commissie worden verwerkt. Deze Handreiking bevat nadere eisen met betrekking tot het toepassen van gebiedsvreemd materiaal klasse B en Industrie.
Deze op handen zijnde aanscherping van de regels ten aanzien van het nuttig toepassen van gebiedsvreemde grond en baggerspecie klasse B/ Industrie is en wordt niet meegenomen in dit beleidsdocument. De reden om dit niet mee te nemen in het onderhavige kader is gelegen in het feit dat deze aanscherping ziet op bescherming van het grondwater en de onderhavige beleidsregels zien op de bescherming van het oppervlaktewater. De commissie maakt in haar rapport geen onderscheidtussen gebiedseigen en gebiedsvreemd materiaal voor wat betreft de bescherming van het oppervlaktewater. Ten overvloede wordt hierbij gewezen op het feit dat het grondwater bij depots afdoende wordt beschermd door de verplichting tot het aanbrengen van een isolerende laag in de Wm-vergunning.
Er worden twee normen gehanteerd. In de eerste plaats de MTR. Deze norm wordt gebruikt om te toetsen of de storting van baggerspecie significant bijdraagt aan overschrijding van de waterkwaliteitsdoelstelling van het in de winput aanwezige oppervlaktewater. Daarnaast wordt de norm gebruikt om te kijken of de storting van baggerspecie leidt tot een significante verslechtering van de kwaliteit van dat oppervlaktewater.
De tweede norm is het ER: de maximum toegestane piekconcentratie. Deze norm wordt gebruikt om te toetsen of de storting van baggerspecie in een winput niet leidt tot acuut toxische effecten voor waterorganismen. Voor een aantal stoffen zijn er enkel MTR2 In het Besluit kwaliteitseisen en monitoring wordt deze norm ‘milieukwaliteitseis oppervlaktewater totaal’ genoemd. -normen Voor die parameters wordt de volgende handelswijze aangehouden. Een waarde van 3 x MTR of wordt gebruikt als geen ER beschikbaar is en toch een uitgangspunt moet worden uitgewerkt.
Er wordt alleen aan totaalgehalten getoetst, met uitzondering van metalen (voor sommige metalen moet aan het opgeloste gehalte worden getoetst) en PCB’s (hiervoor moet het zwevend stofgehalte worden getoetst). De normen zijn opgenomen in bijlage 1.
Voor een aantal stoffen dat opgenomen is in de stoffenpakketten van het Besluit bodemkwaliteit bestaat geen waterkwaliteitsnorm. Voor deze stoffen moet door het bevoegd gezag een norm worden afgeleid indien niet uitgesloten kan worden dat de belasting op het oppervlaktewater vanuit het stortmateriaal significant kan zijn. Een normafleiding is alleen noodzakelijk indien de Interventiewaarde voor waterbodems in het stortmateriaal voor de betreffende stof wordt overschreden.
Omdat in winputten geen sprake is van een (vast) lozingspunt wordt de gehele winput als mengzone beschouwd. Dit betekent dat wordt gekeken naar de jaargemiddelde waterkwaliteit in de gehele winput. Dit sluit aan bij de beschikbare modellen om de effecten van de storting van baggerspecie op de waterkwaliteit te berekenen.
Bij toetsing van de concentratieverhoging in het ontvangende (omliggende of aangrenzende) oppervlaktewater wordt een representatieve locatie gekozen in het ontvangende oppervlaktewater waarbij al een zekere menging van het uit de winput afkomstige water en het ontvangende oppervlaktewater heeft plaatsgevonden. Hiervoor wordt aangesloten bij de maatgevende afstand die wordt gehanteerd in de huidige emissie-toets.
Voor het stoffenpakket wordt in principe uitgegaan van de stoffenpakketten die zijn vastgesteld voor het Besluit bodemkwaliteit3Standaard stoffenpakket bij milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek vastgesteld, 4 juni 2008, NEN, SIKB en Bodem+. . Indien het de verwachting is dat ‘verdachte stoffen’ worden gestort die niet in deze pakketten zitten dan moeten deze stoffen, gelet op de in artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit genoemde zorgplicht, ook worden meegenomen bij de toetsing. Met een ‘verdachte stof’ wordt in deze context een stof bedoeld waarvoor niet uitgesloten wordt dat deze een significante toename in gehalten in de waterkolom kan veroorzaken.
In deze beleidsregels wordt bij de beschouwing van stoffen het principe van trechtering toegepast. In de eerste stap van het in hoofdstuk 3 opgenomen stappenplan worden alle relevante stoffen (zie hierboven) beschouwd. Bij de vervolgstappen worden alleen die stoffen beschouwd die in een eerdere stap de gestelde norm(en) overschrijden.
De effecten van de storting van baggerspecie in winputten op de waterkwaliteit ten aanzien van nutriënten vormen thans een belangrijk discussiepunt in Nederland. Zo zijn recentelijk door enkele waterschappen beleidsregels opgesteld voor het toepassen van baggerspecie in zandwinputten. In deze beleidsregels worden onder meer aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de concentratie fosfaat in de toe te passen baggerspecie. De ervaring van Rijkswaterstaat is dat rijkswateren over het algemeen weinig eutrofiëringgevoelige watersystemen zijn en dat er daarom geen reden is voor zorg over de effecten van nutriënten op de waterkwaliteit. De gebieden waar eutrofiëring aan de orde is, zijn goed bekend en beperken zich tot een gering aantal rijkswateren (veelal meren en plassen en bijna nooit de stromende rivieren). Dit blijkt onder andere uit de studie ‘Storten van baggerspecie in putdepots’4Storten van baggerspecie in putdepots, eindnota, rapport 2001.049, AKWA, november 2001, Utrecht. , waarin wordt geconcludeerd dat de bijdrage van het storten van baggerspecie slechts beperkt is en alleen in eutrofiëringgevoelige systemen een rol zal spelen. Voor winputten in rijkswateren worden daarom voorlopig geen specifieke eisen gesteld ten aanzien van stikstof en fosfaat. Wel zijn in de beleidsregels adviezen opgenomen om verhoogde stikstof- en fosfaatgehalten in winputten zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel 2
Normstelling voor de vergunningverlening
Onderdeel van Beleidsregels voor lozing op oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 16 april 2010