Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Stappenplan toetsing vergunningaanvraag

Onderdeel van Beleidsregels voor lozing op oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 16 april 2010

Voor de toetsing van een aanvraag om verlening van een Wvo-vergunning voor de storting van baggerspecie in een winput wordt het navolgende stappenplan gevolgd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vulfase en anderzijds de beheerfase van de storting. In de vulfase wordt aan de hand van de verwachte kwaliteit van de te storten baggerspecie getoetst of de belasting van het oppervlaktewater door de storting acceptabel is. In de beheerfase wordt getoetst of de verspreiding van de verontreinigingen na afronding van de stortactiviteiten voldoende geminimaliseerd is. De gegevens die nodig zijn voor de toetsing van de vergunningaanvraag worden besproken in hoofdstuk 4. Met betrekking tot de vulfase van een winput doorloopt de beoordeling van een vergunningaanvraag in beginsel de volgende 3 stappen: stap 1: toetsing aan de kwaliteitseisen ten aanzien van het te storten materiaal met betrekking tot (grootschalige) toepassingen overeenkomstig het bepaalde in het Besluit bodemkwaliteit; stap 2: toetsing van de kwaliteit van het in de winput aanwezige oppervlaktewater aan de gestelde waterkwaliteitsdoelstellingen; stap 3: toetsing of overschrijding van de waterkwaliteitsdoelstellingen in het geval van de voorgenomen storting acceptabel is. Bij elke stap wordt bezien of aan de gestelde voorwaarden voor verlening van een vergunning wordt voldaan (zie hoofdstuk 2). Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan in beginsel een vergunning worden verleend en hoeft de volgende stap niet meer te worden doorlopen. Zo niet, dan moet de toetsing worden vervolgd met de volgende stap. Het is (voor een initiatiefnemer) ook mogelijk om de uitgangspunten voor de storting bij te stellen en de toetsing opnieuw uit te voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de kwaliteit van het materiaal dat wordt gestort, de vulsnelheid, de vulhoogte of de stortmethode. In figuur 3.1 zijn de drie stappen schematisch weergegeven en verder uitgewerkt in deelstappen. De afzonderlijke stappen worden in paragraaf 3.2.2 t/m 3.2.4 toegelicht. In beginsel wordt voor de toetsing uitgegaan van de voorwaarden die vanuit het Besluit bodemkwaliteit gesteld worden aan grootschalige toepassing van baggerspecie in oppervlaktewater (onder de waterspiegel). Omdat het hier gaat om een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen gebiedseigen en gebiedsvreemde baggerspecie. Gezien het gestelde in paragraaf 2.2 van deze beleidsregels, wordt afgeweken van de toetsing aan emissiewaarden en/of emissietoetswaarden. In plaats daarvan wordt per parameter getoetst of de te storten baggerspecie voldoet aan de maximale waarden voor het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater conform Besluit bodemkwaliteit (interventiewaarden voor waterbodems). Als het materiaal voldoet aan de interventiewaarden, dan veroorzaakt de storting voor de betreffende parameter geen onaanvaardbare beïnvloeding van de kwaliteit van het in de winput aanwezige oppervlaktewater (zie hoofdstuk 2). In beginsel kan met betrekking tot de betreffende parameter een vergunning worden afgegeven. Hierbij dient nog wel getoetst te worden of geen sprake is van een uitzonderingssituatie waarbij de zorgplicht in het geding komt.Het bevoegd gezag dient dit op basis van gebiedskennis en voortschrijdend inzicht ten aanzien van toepassingen op grond van het Besluit bodemkwaliteit te besluiten. Indien vaststaat dat sprake is van een uitzonderingssituatie die onder de zorgplicht van het Besluit bodemkwaliteit zou kunnen vallen, dienen in de vergunning aanvullende voorschriften opgenomen te worden of dienen de vervolgstappen doorlopen te worden. Bij de toetsing aan de maximale waarden voor toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater wordt niet gekeken naar nuttigheid en functionaliteit. De storting van baggerspecie in een winput hoeft immers geen ‘nuttige’ toepassing te zijn. Het is een Wet milieubeheer-inrichting. Bij de toetsing wordt ook niet gekeken naar de voorwaarden die worden gesteld aan het aanbrengen van een leeflaag en het beheer van de locatie. Deze aspecten komen bij de beheerfase (paragraaf 3.3) aan bod. In stap 2 (zie figuur 3.3) wordt voor de stoffen die niet voldoen aan de voorwaarden in stap 1 getoetst of de storting leidt tot een onaanvaardbare concentratieverhoging (∆COW-D ) van het in de winput aanwezige oppervlaktewater. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt in: stoffen waarvoor de achtergrondkwaliteit (COW) beter is dan het MTR; stoffen waarvoor de achtergrondkwaliteit (COW) slechter is dan het MTR. Voor de stoffen waarvoor de achtergrondkwaliteit van het in de winput aanwezige oppervlaktewater (COW) beter is dan het MTR wordt getoetst of de storting leidt tot een overschrijding van het MKN in dat oppervlaktewater. Voor de stoffen waarvoor de achtergrondkwaliteit van het in de winput aanwezige oppervlaktewater (COW) slechter is dan het MTR wordt getoetst of de storting leidt tot een concentratieverhoging in dat oppervlaktewater die groter is dan 0,1 x MTR. Bij de toetsing gelden de volgende uitgangspunten: de stoffen worden getoetst aan MTR; er wordt uitgegaan van de gemiddelde concentratie in het oppervlaktewater in de gehele winput. Voor half open winputten is dit de totale waterkolom in de winput. In open putten is dit de waterkolom binnen de begrenzingen van de locatie (zie figuur 3.4a en b); er moet gebruik worden gemaakt van een waterkwaliteitsmodel. Modellen die hiervoor kunnen worden gebruikt zijn bijvoorbeeld WESTSIDE, DELF3D (DELWAQ), MIKE (ECOLAB) en ORPHEUS. Het staat de initiatiefnemer vrij om zelf een geschikt model te kiezen; Indien voor de getoetste stoffen de storting niet leidt tot een onaanvaardbare concentratieverhoging (∆COW-D ) van het in de winput aanwezige oppervlaktewater, dan zijn de gehanteerde uitgangspunten acceptabel. Voor de storting kan een Wvovergunning afgegeven worden. Stap 3 van het toetsingskader hoeft niet uitgevoerd te worden. In hoofdstuk 6 is aangegeven welke eisen in de vergunning kunnen worden gehanteerd ten aanzien van stortmethoden, tijdsbestek van de storting en stromingsbeperkende voorzieningen. De constatering dat de uitgangspunten voor de storting acceptabel zijn, vrijwaart de initiatiefnemer immers niet van de plicht om door middel van BBT vertroebeling en andere belasting voor het milieu zo veel mogelijk te voorkomen en tot een minimum te beperken. Als uit de toetsing blijkt dat voor één of meerdere van de getoetste stoffen de storting wel leidt tot een onaanvaardbare concentratieverhoging (∆COW-D ) van het in de winput aanwezige oppervlaktewater, dan kan de vergunningaanvrager er voor kiezen om de uitgangspunten voor de winput bij te stellen en de toetsing van stap 2 opnieuw uit te voeren. De vergunningaanvrager heeft hierbij onder meer de volgende mogelijkheden: het stellen van strengere eisen ten aanzien van het te storten materiaal; de vulsnelheid van de storting zodanig verlagen dat de waterkwaliteitsnorm niet meer wordt overschreden; een andere stortmethode toepassen; het uitwisselingsdebiet met het oppervlaktewater verhogen (alleen bij (half)open winputten); de storting anders dimensioneren (bijvoorbeeld minder materiaal toepassen); voor de verschillende dieptes in de winput verschillende eisen stellen ten aanzien van het te storten materiaal; door in de diepere lagen van de winput sterker verontreinigd materiaal en in de ondiepere lagen minder sterk verontreinigd materiaal te storten, kan de belasting van het oppervlaktewater worden geminimaliseerd; de aanvrager moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat voldoende materiaal beschikbaar is om de door hem voorgestelde vulopzet te realiseren. Door het bijstellen van de uitgangspunten dient de vergunningaanvrager te komen tot een werkwijze, in combinatie met een reeks acceptatiecriteria, die voor het in de winput aanwezige oppervlaktewater aantoonbaar geen overschrijding van de gestelde normen in stap 2 veroorzaakt. Deze werkwijze en acceptatiecriteria dienen vervolgens als uitgangspunt voor een te verlenen vergunning. Indien het niet mogelijk is om door middel van het bijstellen van de uitgangspunten voor de storting te voldoen aan de normen in stap 2, dan kan voor de storting in de meeste gevallen geen vergunning afgegeven worden. Uitzonderingen zijn die stortingen waarbij een vergunningaanvrager kan onderbouwen dat een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen in het oppervlaktewater kan worden verantwoord. De wijze waarop dit moet worden getoetst, wordt beschreven in stap 3. In specifieke situaties kan het voorkomen dat (tijdelijke) overschrijdingen van de gestelde waterkwaliteitsdoelstellingen met betrekking tot het in de winput aanwezige oppervlaktewater acceptabel worden geacht. Het gaat hierbij om uitzonderingssituaties. Aan de hand van stap 3 kan worden getoetst of voor een specifieke storting overschrijding van de waterkwaliteitsnormen acceptabel is. Stap 3 wordt enkel doorlopen bij stortingen waarvoor in stap 2 is aangetoond dat redelijkerwijs niet voorkomen kan worden dat de waterkwaliteitsnormen worden overschreden, ook niet door aanpassing van de uitgangspunten voor de storting (zie paragraaf 3.2.2). Stap 3 dient dus niet gebruikt te worden om de stortmogelijkheden zo ruim mogelijk te maken. Stap 3 bestaat uit drie onderdelen: toetsing of sprake is van een situatie waarbij een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen van het in de winput aanwezige oppervlaktewater kan worden toegestaan; toetsing of de waterkwaliteit van het omringende of aangrenzende oppervlaktewater significant verslechtert door de storting; toetsing of de storting leidt tot acuut toxische effecten voor waterorganismen in het in de winput aanwezige oppervlaktewater. Een vergunning is alleen mogelijk als cumulatief aan de voorwaarden van de hierboven genoemde onderdelen a, b en c wordt voldaan. Voor situaties waarbij een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsdoelstellingen wordt toegestaan, geldt dus altijd dat dit niet mag leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van het omliggende en aangrenzende oppervlaktewater en evenmin mag leiden tot acuut toxische effecten voor het in de winput aanwezige oppervlaktewater. In figuur 3.5 zijn de hierboven genoemde onderdelen a, b en c schematisch weergegeven. Ze worden hieronder verder uitgewerkt. Getoetst wordt of sprake is van een situatie waarbij een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen van het in de winput aanwezige oppervlaktewater kan worden toegestaan. De aanvrager van een vergunning dient te motiveren waarom overschrijding van de waterkwaliteitsnormen acceptabel is. Het is aan het bevoegd gezag om te besluiten of deze onderbouwing inderdaad aansluit bij de situatie ter plaatse. Hieronder wordt een niet limitatief aantal voorbeelden van situaties genoemd waarbij het bevoegd gezag (tijdelijke) overschrijdingen van de waterkwaliteitsnormen kan toestaan. Benadrukt wordt dat dit voorbeelden zijn en dat een vergunningaanvrager ook andere gronden kan aanvoeren waarom normoverschrijdingen toelaatbaar zijn. Het bevoegd gezag behoudt echter de mogelijkheid om de aanvraag af te wijzen, ook als deze overeenkomt met een van de onderstaande voorbeelden. Het is belangrijk dat in de aanvraag goed wordt onderbouwd waarom een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen kan worden toegestaan. Een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen kan worden toegestaan indien dit geen belemmering is voor de functies van het in de winput aanwezige oppervlaktewater. Dit is bijvoorbeeld vaker het geval als een winput zich in of nabij een haven- of industriegebied bevindt. Deze mogelijkheid kan zich ook voordoen als de stortactiviteiten alleen in een bepaald seizoen worden uitgevoerd, zodat bijvoorbeeld de functies recreatie en/of natuur (rustplaats voor trekvogels) niet verstoord worden. Een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen kan ook worden toegestaan indien dit niet leidt tot onaanvaardbare humane en ecologische risico’s met betrekking tot het in de winput aanwezige oppervlaktewater. Om dit te toetsen kan gebruik worden gemaakt van de methoden die in het kader van de Wet bodembescherming worden gebruikt om humane en ecologische risico’s te bepalen. Deze methoden worden beschreven in de Richtlijn Nader Onderzoek Waterbodems5Richtlijn Nader Onderzoek Waterbodem, 14 februari 2008, Rijkswaterstaat AKWA/Waterdienst. . Een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen kan voorts worden toegestaan indien in de eindsituatie de winput in zijn geheel is volgestort waardoor het oppervlaktewater na afloop van de stortfase is verdwenen. Een strenge bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater tijdens de stortfase is niet noodzakelijk (let op: acute toxiciteit mag niet optreden; dit wordt getoetst in stap 3c). Het verspreiden van vrijkomende verontreinigingen tijdens de vulfase kan beperkt worden door binnen de winput met drempels en/of dijken de verontreinigingen te isoleren van de overige delen van de winput. Dit zorgt echter wel voor lokaal hogere gehalten in het geïsoleerde deel van de winput waar op dat moment de stortactiviteiten plaatsvinden. Indien de aanvrager kan aantonen dat waterkwaliteitsnormen alléén in het compartiment worden overschreden waar de stortactiviteiten op dat moment plaatsvinden, kunnen deze overschrijdingen voor deze situatie toegestaan worden. Als de aanvrager kan motiveren dat (tijdelijke) overschrijdingen van de waterkwaliteitsdoelstellingen acceptabel zijn voor de beoogde storting, dan moet de toetsing worden vervolgd met stap 3b van de beleidsregels. Als de aanvrager geen deugdelijke motivering kan geven waarom tijdelijke overschrijdingen van de waterkwaliteitsdoelstellingen acceptabel zijn, dan kan geen vergunning worden afgegeven voor de storting. Getoetst wordt of de waterkwaliteit van het omringende of aangrenzende oppervlaktewater significant verslechtert door het storten van baggerspecie. Om te toetsen of de waterkwaliteit van het oppervlakte significant verslechtert, wordt op een maatgevende afstand bepaald of de storting van baggerspecie leidt tot een concentratieverhoging in het oppervlaktewater die groter is dan 0,1 x MTR. Deze toetsing wordt alleen uitgevoerd voor de stoffen die niet voldoen aan de voorwaarden in stap 2. De maatgevende afstand kan worden bepaald aan de hand van tabel 3.2. type watersysteem maatgevende afstand (afstand x) lijnvormige wateren 10× de breedte van het oppervlaktewater met een maximum van 1000 meter meren en plassen met een maximum van 1000 meter met A = oppervlakte van het oppervlaktewater waarin de winput ligt (in m2) L = lengte van het oppervlaktewater waarin de winput ligt (in m) B = breedte van het oppervlaktewater waarin de winput ligt (in m) De concentratie op de maatgevende afstand kan worden berekend met behulp van de emmissietoets. Thans is een nieuwe emissietoets in ontwikkeling die aansluit op de Kaderrichtlijn Water. De aanvrager dient bij het bevoegd gezag na te gaan welk toetsingskader op moment van de vergunningaanvraag bruikbaar is voor de berekeningen. Indien voor de getoetste stoffen de storting van baggerspecie in de winput niet leidt tot een onaanvaardbare concentratieverhoging (∆COW-L ) op de maatgevende afstand in het oppervlaktewater, dan moet de toetsing worden vervolgd met stap 3c van de beleidsregels. Indien voor één of meerdere van de getoetste stoffen de storting van baggerspecie in de winput wel leidt tot een onaanvaardbare concentratieverhoging (∆COW-L ) op de maatgevende afstand in het oppervlaktewater, dan kan geen vergunning worden afgegeven. Getoetst wordt of de storting van baggerspecie leidt tot acuut toxische effecten voor in het in de winput aanwezige oppervlaktewater levende waterorganismen. Als norm voor acute toxiciteit wordt het ER gehanteerd. Bij de toetsing moet worden gekeken of op enig moment tijdens de stortfase het ER voor een periode van meer dan 4 achtereenvolgende dagen wordt overschreden. Daarnaast mag overschrijding van het ER in de gemodelleerde situatie niet meer dan 4 keer per jaar voorkomen, ongeacht de duur van deze overschrijding. Bij de toetsing moet een controleerbare koppeling tussen de gemodelleerde situatie en de daadwerkelijke stortactiviteiten als uitgangspunt worden genomen. Deze koppeling zal in de regel een maximaal aantal stortingen met een bekend volume per tijdseenheid zijn. Deze toetsing wordt alleen uitgevoerd voor de stoffen die niet voldoen aan de voorwaarden in stap 2. De toetsing stelt voorts specifieke eisen aan de modellering. Met de gangbare modellen (zie stap 2) worden immers geen variaties aan belasting in tijd voor de storting berekend, maar wordt uitgegaan van een continue, regelmatige vulsnelheid. De aanvrager dient goed te onderbouwen dat de berekeningen die toetsen of een ER-overschrijding plaatsvindt, aansluiten op de situatie voor de betreffende winput. Indien de storting van baggerspecie voor de getoetste stoffen niet leidt tot een overschrijding van het ER voor een periode van meer dan 4 achtereenvolgende dagen en het ER niet meer dan 4 keer per jaar wordt overschreden (ongeacht de duur), dan zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de storting acceptabel. Voor de storting kan een vergunning afgegeven worden. In hoofdstuk 6 is aangegeven welke eisen in de vergunning kunnen worden gehanteerd ten aanzien van stortmethoden, de tijdsperiode en stromingsbeperkende voorzieningen. De constatering dat de uitgangspunten voor de storting acceptabel zijn, vrijwaart de initiatiefnemer niet van de plicht om door middel van BBT vertroebeling en andere belasting op het milieu zo veel mogelijk tot een minimum te beperken. Indien de storting van baggerspecie voor één of meerdere van de getoetste stoffen wel leidt tot een overschrijding van het MTR voor een periode van meer dan 4 achtereenvolgende dagen of het MTR meer dan 4 keer per jaar wordt overschreden (ongeacht de duur), dan kan geen vergunning worden afgegeven voor de storting. Als er geen baggerspecie meer wordt gestort in de winput is de beïnvloeding van het oppervlaktewater over het algemeen gering en wordt deze met name bepaald door diffusie, consolidatie en erosie. Door het aanbrengen van een voldoende dikke, schone, afdeklaag wordt verspreiding naar het in de winput aanwezige oppervlaktewater voorkomen. Het is daarom nuttig om in de vergunning een afdeklaag voor te schrijven die ten minste voldoet aan de eisen van een nuttige, grootschalige toepassing zoals beschreven in het Besluit bodemkwaliteit. Voor stortingen in winputten die liggen in gebieden waarvoor gebiedsspecifiek beleid van toepassing is, geldt dat de afdeklaag moet voldoen aan de eisen die in dit gebiedsspecifieke beleid zijn vastgelegd. Een belangrijk aandachtspunt is de erosiebestendigheid van de afdeklaag. Er mag geen onaanvaardbare erosie van de afdeklaag optreden. Er bestaat een directe relatie tussen de vulhoogte in een winput en het verlies van baggerspecie door stroming, windgolven of scheepvaart6 Storten van baggerspecie in open putdepots, deelrapport 1: referentie ontwerp putdepots, 2001, AKWA. . De vulhoogte heeft echter ook een directe relatie met de beschikbare stortingscapaciteit. Rekening houdend met deze twee zaken wordt in de studie ‘Storten van baggerspecie in putdepots: eindnota’7 Storten van baggerspecie in putdepots, eindnota, rapport 2001.049, AKWA, november 2001, Utrecht. aanbevolen om een winput niet verder dan 5 meter onder het (normale) waterbodemniveau op te vullen met baggerspecie. Het verlies door erosie is dan beperkt. Bij winputten die niet verder dan 5 meter onder het (normale) waterbodemniveau worden opgevuld is de kans op het optreden van erosie van de afdeklaag dus klein. Voor open en half open winputten die wel verder dan 5 meter onder het (normale) waterbodemniveau worden opgevuld, moet worden beoordeeld of erosie kan optreden. In tabel 3.3 wordt aangegeven bij welke situaties erosie van de afdeklaag kan optreden8Handreiking sanering waterbodems, juli 2006, AKWA & Quickscan waterbodems: handreiking voor een snelle beoordeling of waterbodems een risico vormen voor het bereiken van de goede toestand conform de Kaderrichtlijn water, 2004, RIZA. . Indien sprake is van een van deze situaties, dan moet in de vergunningaanvraag gemotiveerd worden aangegeven op welke manier erosie van de afdeklaag wordt voorkomen. In de vergunning kunnen eisen worden gesteld aan de (fysische) samenstelling en/of controle van de afdeklaag. Erosie door: Optreden erosie mogelijk bij/door: stroming* • stroomsnelheden groter zijn dan 0,3 m/s voor meer dan 7 dagen per jaar bij een slappe of weinig geconsolideerde bovenlaag (dichtheid < 1,3 kg/m3) • stroomsnelheden groter zijn dan 0,8 m/s voor meer dan 7 dagen per jaar bij een sterk geconsolideerde bovenlaag (dichtheid > 1,3 kg/m3) Scheepvaart • beroeps(binnen)vaart boven de winput bij een kielspeling kleiner dan 4 meter • zeescheepvaart of vierbaksduwvaart boven de winput indien (ASCHIP× VSCHIP) / AWATERGANG groter is dan 0,3 m/s** • recreatievaart boven de winput bij een kielspeling kleiner dan 2 meter. * Bij half open winputten in riviersystemen moet rekening worden gehouden met het optreden van erosie bij hoog water. ** ASCHIP = oppervlakte schip in dwarsdoorsnede; VSCHIP = vaarsnelheid; AWATERGANG = oppervlakte van watersysteem waarin de winput ligt.

Rechtspraak bij dit artikel