Voor stortingen waarvan bekend is om welk(e) (kwaliteit) materiaal het gaat, kan met behulp van de onderhavige beleidsregels eenvoudig worden bepaald of hiervoor een vergunning kan worden verleend. Voor grote projecten in het kader van Ruimte voor de Rivier kan dit bijvoorbeeld het geval zijn.
Voor de meeste stortingen is niet bekend van welke locaties de baggerspecie afkomstig is. In dit geval moet door de vergunningaanvrager een bovengrens worden gesteld. Voor deze bovengrens kan met behulp van de beleidsregels worden bepaald of hiervoor een vergunning kan worden verleend. Het is ook mogelijk om aan de hand van de in de beleidsregels gestelde eisen te bepalen welke (maximale) kwaliteit baggerspecie in een winput kan worden gestort om aan deze eisen te kunnen voldoen. Dit vormt dan de bovengrens voor de vergunning.
Een aantal stoffen wordt in de beleidsregels getoetst aan normen voor opgeloste gehalten. De opgeloste gehalten die worden berekend voor oppervlaktewater in een winput zijn sterk afhankelijk van de verdelingscoëfficiënten (Kd’s) die worden gehanteerd bij de modelberekeningen. Met behulp van deze verdelingscoëfficiënten worden de sedimentgehalten in de te storten partijen baggerspecie omgerekend naar poriënwatergehalten.
Voor baggerspecie moet in principe worden uitgegaan van de generieke verdelingscoëfficiënten die voor organische verbindingen zijn vastgelegd in ‘Omgaan met verdelingscoëfficiënten voor organische verbindingen. Variaties op een Constante’9Omgaan met verdelingscoëfficiënten voor organische verbindingen. Variaties op een Constante, Steenwijk, J.M., G. Cornelissen en Th.E.M. ten Hulscher, 1999, RWS/RIZA 1994-1999, RIZA notanr. 99.023. en voor metalen in ‘Bepaling actueel risico van verspreiding via grondwater, Achtergronddocument in het kader van Richtlijn Nader Onderzoek Verontreinigde Waterbodems’10Bepaling actueel risico van verspreiding via grondwater. Achtergronddocument in het kader van de Richtlijn nader onderzoek verontreinigde waterbodems, AKWA, 2002, rapport nr. 02.0005. . Bijlage 2 geeft een overzicht van deze verdelingscoëfficiënten. Uit recente onderzoeken11Uitloging en verspreiding vanuit depots: beschrijving resultaten metingen bij depot Amerikahaven 2006, AKWA, 2007, rapport nr. 07.002.12Uitloging en verspreiding vanuit depots: overzicht resultaten 2004 en 2005 en doorkijk naar 2006, AKWA, 2006, rapport nr. 06.002. blijkt dat deze verdelingscoëfficiënten vaak conservatief (worstcase) zijn. Het is daarom ook mogelijk om gebruik te maken van gebiedsspecifieke verdelingscoëfficiënten, bijvoorbeeld voor Rijn- of Maassediment. Deze gebiedsspecifieke verdelingscoëfficiënten geven een betere benadering van de werkelijke situatie. Het gebruik van gebiedsspecifieke verdelingscoëfficiënten moet wel worden gemotiveerd.
Voor het modelleren van de effecten op de omgeving zijn gegevens over de opbouw en vultijd van de winput benodigd. Het gaat om de volgende basisgegevens:
ligging winput (x- en y-coördinaten, op kaart);
oppervlakte van de winput;
diepte van de winput;
geplande opvulhoogte van de winput;
helling van de taluds;
geplande vultijd van de winput.
De opvulhoogte en de vultijd van de winput kunnen veranderen als gevolg van een veranderend aanbod van baggerspecie. Beide aspecten zijn van groot belang voor de kwaliteit van het in de winput aanwezige oppervlaktewater. Bij de (aanvraag van een) vergunning moet daarom een bandbreedte worden vastgesteld voor de vultijd en opvulhoogte van de winput. Bij de toepassing van de beleidsregels moet worden uitgegaan van het worstcase scenario.
Bij het vaststellen van de locatie en de dimensies van de winput dienen de functies en gebiedsontwikkelingen in de directe omgeving in kaart gebracht te worden. Deze inventarisatie dient om aannemelijk te kunnen maken dat de voor de vergunning gehanteerde uitgangspunten realistisch zijn en niet wijzigen gedurende de vulperiode. Hieronder wordt een aantal typen gegevens opgesomd die relevant kunnen zijn bij de realisatie van een storting van baggerspecie in een winput:
peilbeheer (inclusief eventuele peilwijzigingen);
huidige en toekomstige functie gebied;
wijzigingen achtergrondkwaliteit (bijvoorbeeld door saneringen of infrastructurele ingrepen);
status gebied in relatie tot Ruimte voor de Rivier;
aanwezigheid kwetsbare gebieden (grondwater) in omgeving;
aanwezigheid saneringslocaties in omgeving.
In stap 2 en stap 3 van de beleidsregels is informatie nodig over de achtergrondkwaliteit van het oppervlaktewater. Voor half open en open winputten in de Maas of de Rijntakken kan uitgegaan worden van de door Rijkswaterstaat vastgestelde achtergrondkwaliteit (zie www.waterbase.nl). Hierbij moet worden uitgegaan van een gemiddelde kwaliteit op basis van de voorgaande vijf jaren.
Het is ook mogelijk om uit te gaan van waterkwaliteitsmetingen in de winput zelf. In verband met seizoensvariaties moeten maandelijkse metingen gedurende minimaal één jaar beschikbaar zijn van de kritische parameters. Het type meting (totaalgehalte, gehalten opgelost, gehalten in zwevend stof) is hierbij afhankelijk van de manier waarop de norm is vastgelegd.
Bij half-open en open winputten is de waterkwaliteit in de put en de beïnvloeding van het oppervlaktewater waarmee de put in contact staat afhankelijk van het uitwisselingsdebiet. Dit uitwisselingsdebiet kan in riviersystemen sterk variëren. Bij de modelberekeningen in stap 2 en stap 3 van de beleidsregels moet met deze variatie rekening worden gehouden. Indien het niet mogelijk is om met variabele uitwisselingsdebieten rekening te houden, moet met een worstcase-scenario gerekend te worden. Voor winputten die in of langs een rivier liggen houdt dit in dat met een laag rivierdebiet gerekend dient te worden. In dit geval dient met de Maatgevende Lage Afvoer gerekend te worden. Dit is het debiet dat in 90% van de dagen overschreden wordt.
Artikel 4
Benodigde gegevens voor toepassing van beleidsregels
Onderdeel van Beleidsregels voor lozing op oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 16 april 2010