1. 1. Een lid van het openbaar ministerie wordt ontslagen:
    • - a. op eigen verzoek;
    • - b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt;
    • - c. indien hij een ambt of betrekking aanvaardt bedoeld in artikel 18, vijfde lid;
    • - d. bij het verlies van het Nederlanderschap;
    • - e. bij gebleken ongeschiktheid voor de functie, anders dan wegens ziekte of gebreken.
  2. 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a en b, wordt het ontslag eervol verleend.
  3. 3. In het geval bedoeld in het eerste lid, onder c, kan het ontslag eervol worden verleend.