Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 1

Artikel 11

Artikel 11

Onderdeel van Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. Een lid van de Raad wordt geschorst indien: hij zich in voorlopige hechtenis bevindt; hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. 2. Een lid van de Raad kan worden geschorst, indien tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 10, onderdelen c tot en met h, die tot ontslag zouden kunnen leiden. 3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, eindigt schorsing na drie maanden. De schorsing kan telkens met ten hoogste drie maanden worden verlengd. De schorsing wordt beëindigd zodra de grond voor schorsing is vervallen. Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel