Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Samenwerking met andere partners

Onderdeel van Circulaire Burgemeestersbevel twaalfminners, artikel 172b Gemeentewet· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 september 2010

De meest invloedrijke beschermende factoren in de vroege kinderjaren zijn het gezin en de persoonlijke factoren van het kind. De wetenschap dat op jonge leeftijd de invloed van potentiële beschermingsfactoren nog relatief groot is, maakt het – ook vanuit veiligheidsperspectief – belangrijk om vooral in geval van jonge overlastgevende kinderen te investeren in het versterken van beschermend opvoedingsgedrag van de ouders van het jonge overlastgevende kind. Ouders kunnen op die wijzen leren hoe het best kan worden omgegaan met de moeilijkheden die zij bij de opvoeding van hun kind ervaren, of hoe om te gaan met het overlastgevende en anti-sociale gedrag van het kind. Het beschermend opvoedingsgedrag van de ouders moet elementen bevatten als het uitoefenen van toezicht, het stellen van grenzen, positieve correctie, consequente disciplinering en ingrijpen indien kinderen op de verkeerde plaats met verkeerde vrienden omgaan. Deze werkwijze biedt uiteindelijk het meeste perspectief voor de kinderen zelf (hun ouders) én voor de samenleving. Dat neemt niet weg dat de samenleving vraagt dat ook op korte termijn al wordt opgetreden tegen probleemgedrag van twaalfminners dat zich uit in overlastgevend en antisociaal gedrag. Echter, ook als specifiek tegen ordeverstorend gedrag wordt opgetreden, door inzet van de mogelijkheden uit artikel 172b, blijft een combinatie met investeren in zorg de enig juiste langetermijnoplossing. Bij de zorg om jonge kinderen en bij het beëindigen van overlast door deze kinderen is samenwerking met alle betrokken partners essentieel. Er bestaan diverse samenwerkingsverbanden waarvan gebruik kan worden gemaakt: Als de nadruk nog vooral op zorg ligt en dus de instrumenten uit artikel 172b nog niet noodzakelijk zijn, ligt het voor de hand om de samenwerking te zoeken met de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG’s) en het zorgadviesteam (ZAT) en de casusoverleggen die in dat kader worden gehouden. Binnen het ZAT werken onder regie van de gemeenten in veel gevallen onder anderen de school, het maatschappelijk werk, de CJG’s en Bureau Jeugdzorg (BJZ) samen aan ondersteunen van het jonge kind en gezin in preventieve zin. Binnen het ZAT is ook de aansluiting op het CJG geregeld waar de zorgcoördinatie plaatsvindt. Goede coördinatie van zorg en hulp die worden ingezet en de ondersteuning die wordt aangeboden is essentieel. ‘Eén gezin, één plan’ is daarbij de leidraad. Door de voorgeschiedenis zal er bij het ZAT en de deelnemende partnes veel relevante informatie over het desbetreffende kind aanwezig zijn. Daarom is, ook als preventieve ondersteuning door aanhoudende overlast niet langer de primaire richting kan zijn, samenwerking met het ZAT van groot belang. Deze samenwerking kan op dat moment het beste vorm krijgen binnen het Veiligheidshuis, om te voorkomen dat vanuit het ZAT verkregen vertrouwelijke (achtergrond) gegevens zonder meer in een eventueel strafdossier terecht komen. Daarnaast werken de politie en BJZ al langere tijd samen in het werkproces ‘Vroegsignaleren en Doorverwijzen’. De politie meldt alle kinderen waar zij zich zorgen over maken (dit kan overlast zijn, maar ook kinderen die getuigen zijn van huiselijk geweld e.d.) door middel van het landelijk zorgformulier aan bij een meldpunt van BJZ. BJZ bekijkt of er zorg en/of bescherming nodig is (zorgtaxatie), organiseert deze zorg en koppelt terug aan de politie. Sinds januari 2010 meldt de politie ook de groep jonge kinderen die delicten plegen en niet strafrechtelijk vervolgd kunnen worden (12 min delictplegers) volgens dit werkproces bij BJZ aan. Als de nadruk is verschoven van het bieden van ondersteuning naar het stoppen van het overlastgevende gedrag, ligt het Veiligheidshuis als coördinatie centrum voor de hand. Hierbinnen zijn de veiligheidspartners en zorgpartners verenigd. Ook hier blijft de balans tussen optreden en ondersteunen van groot belang. De gemeente kan als veiligheidsregisseur zorgen dat de juiste partners worden betrokken. In alle gevallen waarin professionals en of instellingen zich zorgen maken om een jong kind is het delen van informatie via Verwijs Index Risico jongeren (VIR) essentieel. Ook de gemeente kan daar een melding in maken. De VIR is een belangrijk instrument bij het verzamelen van alle relevante informatie omdat uit de VIR duidelijk blijkt welke partner kennis heeft over het desbetreffende kind. Het bevel op grond van artikel 172b Gemeentewet ontleent zijn handhaafbaarheid aan artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Als ouders het bevel opzettelijk negeren, kan het Openbaar Ministerie (OM) wegens dit strafbare feit vervolging instellen. Hiertoe moet een proces verbaal zijn opgemaakt door een opsporingsambtenaar. Het is schadelijk voor de geloofwaardigheid als de burgemeester een bevel oplegt, maar het OM niet kan of wil vervolgen bij overtreding van het bevel. Samenwerking met het OM (en politie) is daarom essentieel in het voortraject en bij de opbouw van het dossier. Alleen door van te voren met het OM af te stemmen, kan worden voorkomen dat achteraf blijkt dat een bevel niet handhaafbaar is. Ook hier biedt het Veiligheidshuis op casus niveau een goed platform voor. Gezamenlijk beleid ten aanzien van het gebruik van artikel 172b Gemeentewet kan in de lokale driehoek worden overeengekomen. Als de burgemeester een bevel oplegt op basis van artikel 172b Gemeentewet, zal in de regel de zorg- en opvoedsituatie van het kind aan de opvoedkant dusdanig in gedrang zijn dat hulp noodzakelijk is. Omdat het gaat om een groep kinderen waarvan de meeste al bekend zullen zijn binnen samenwerkingsverbanden van de CJG’s en/of Veiligheidshuis, is zorg al vaak opgestart. Daarnaast zal de politie ook al in een vroeger stadium een zorgmelding naar Bureau Jeugdzorg hebben gestuurd. Het kind en gezin zijn dus al bekend zijn bij BJZ. De noodzaak van het opleggen van een bevel op basis van artikel 172b is echter aanleiding om de aard en intensiteit van deze zorg nogmaals te overwegen. Daarom is het zeer belangrijk dat de gemeente een zorgmelding doet bij BJZ, vergezeld van een afschrift van het gegeven bevel. Tenzij expliciet anders is of wordt afgesproken zal BJZ de zorgcoördinatie op zich nemen. Gelet op de doelgroep en bestaande samenwerkingsverbanden zal melding bij BJZ ten overvloede zijn, echter om twee reden is toch het belangrijk om altijd te melden. Ten eerste is het voor BJZ voor de goede uitvoering van zijn wettelijke taken essentieel om te weten dat de burgemeester een bevel heeft gegeven en wat de exacte inhoud van dit bevel is. Ten tweede is het belangrijk om zeker te stellen dat ook de enkele gezinnen die nog niet vrijwillig of gedwongen in beeld zijn bij BJZ, wel in beeld komen. BJZ zal altijd aan de gemeente melding maken wat de opvolging is geweest. Veelal zullen de gezinnen waaraan het bevel wordt gericht al bekend zijn bij diverse (jeugd)zorg- en welzijnsinstanties. In een deel van de gevallen zal de rechter zelfs al hebben bepaald dat het kind onder toezicht moet worden gesteld. Zorg voor gezin en kind kan in dit soort gevallen tot een andere afweging leiden dan zorg voor de openbare orde. Het kan dus zijn dat het in het zorgplan en binnen de voortgang daarbinnen niet ideaal of zelf niet wenselijk is dat de burgemeester een bevel op basis van artikel 172b Gemeentewet oplegt. Het is essentieel dat burgemeester als handhaver van de openbare orde en de hulpverlener in vrijwillig kader of BJZ in het gedwongen kader in gesprek blijven over de beste weg om het kind én de ouders te helpen en om het ordeverstorend gedrag te doen stoppen. Immers, het kind is niet gebaat bij het voortduren van het gedrag met kans op verder afglijden en de maatschappij is niet gebaat bij het verslechteren van de zorg en hulpverlening. Echter, het belang van de openbare orde kan tot andere afwegingen leiden dan zorgverleners zouden wensen. Het primaat voor het al dan niet inzetten van openbareordemaatregelen ligt bij de burgemeester. Als belangen tegengesteld zijn, is het aan de burgemeester om – na goed overleg – te beslissen of hij gebruik maakt van de mogelijkheden die de wet hem biedt om in te grijpen bij herhaalde verstoringen van de openbare orde. Leidt deze beslissing tot het niet kunnen of willen uitvoeren van het hulpverleningsplan van het kind dat onder toezicht staat, dan dient de burgemeester hierover contact op te nemen met de verantwoordelijke gedeputeerde of wethouder.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel